ECLI:NL:CBB:2024:9

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
5 januari 2024
Zaaknummer
20/1203
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6, tweede lid, Verordening (EU) nr. 651/2014Art. 22, eerste lid, aanhef en onder c, Kaderbesluit nationale EZ-subsidies
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidieaanvraag voor warmtepompen wegens ontbreken stimulerend effect

De zaak betreft een beroep van een aanvrager tegen het besluit van de minister om zijn subsidieaanvraag voor achttien warmtepompen af te wijzen. De aanvraag werd afgewezen omdat de aanvrager de aankoopverplichting voor de warmtepompen was aangegaan vóór het indienen van de subsidieaanvraag, waardoor niet werd voldaan aan het vereiste van stimulerend effect zoals voorgeschreven in de relevante regelgeving.

De aanvrager erkent het zakelijke karakter van zijn aanvraag en betwist niet dat de aankoopverplichting vóór de aanvraagdatum is aangegaan. Hij voerde aan dat hij direct na ontvangst van het advies van het installatiebedrijf heeft geprobeerd de aanvraag in te dienen en dat hij telefonisch contact had met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over de indieningsproblemen. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om het stimulerend effect alsnog aan te nemen.

Het College stelt vast dat de minister op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies verplicht was de aanvraag af te wijzen bij het ontbreken van het stimulerend effect. Er is geen ruimte voor een belangenafweging of afwijking van deze regel. De omstandigheden aangevoerd door de aanvrager zijn niet uitzonderlijk genoeg om het besluit als onevenredig te beschouwen.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 9 januari 2024.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag is ongegrond verklaard wegens ontbreken van stimulerend effect.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 20/1203

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2024 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats]

en
de minister voor Klimaat en Energie, voorheen de minister van Economische Zaken en Klimaat
(gemachtigde: mr. [naam 2] )

Procesverloop

Met het besluit van 15 juli 2020 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van [naam 1] op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (Regeling) om subsidie voor achttien warmtepompen afgewezen.
Met het besluit van 13 november 2020 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.
[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 6 oktober 2023. Aan de zitting hebben [naam 1] , [naam 3] en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Overwegingen

1 Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1
[naam 1] heeft op 16 april 2020 subsidie aangevraagd voor achttien warmtepompen. Op het aanvraagformulier heeft [naam 1] als aankoopdatum 19 september 2019 vermeld en als installatiedatum 10 januari 2020.
1.2
Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de subsidieaanvraag afgewezen, omdat [naam 1] een verplichting tot de aankoop van de warmtepompen is aangegaan vóór het indienen van de subsidieaanvraag.
2 [naam 1] betwist niet dat zijn subsidieaanvraag een zakelijk karakter heeft. Nadat zijn aanvraag was afgewezen, is het [naam 1] duidelijk geworden dat hij de aankoopverplichting pas na indiening van de aanvraag had mogen aangaan. [naam 1] heeft in dit verband op de zitting aangevoerd dat hij meteen na ontvangst van de e-mail van 19 september 2019 met het advies van het installatiebedrijf om in verband met de levering van de warmtepompen de subsidie op korte termijn aan te vragen, de aanvraag heeft proberen in te dienen. [naam 1] stelt dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met de RVO, toen het indienen van de aanvraag wegens het niet in het bezit zijn van een KvK-nummer niet lukte. RVO heeft volgens [naam 1] meegedeeld dat de aanvraag als particulier achteraf kan worden ingediend. Hij heeft ter onderbouwing daarvan een afschrift van deze e-mail overgelegd. Volgens [naam 1] had de minister de subsidie toch moeten verstrekken omdat hij voor de investering op de subsidie had gerekend. [naam 1] merkt in dit verband op dat hij in het appartementencomplex in plaats van warmtepompen ook cv-ketels had kunnen laten plaatsen die voordeliger waren dan de warmtepompen, maar dat hij omwille van verduurzaming hier niet voor heeft gekozen.
3 Aan de orde is de vraag of de minister het verzoek van [naam 1] om toch subsidie te verlenen voor de achttien warmtepompen terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend. Hieronder legt het College uit waarom.
3.1
Niet in geschil is dat de aanvraag van [naam 1] een zakelijke aanvraag betreft omdat de waterpompen bestemd zijn voor een appartementencomplex dat verhuurd wordt door een samenwerkingsverband, waar [naam 1] deel van uitmaakt. Vaststaat dat [naam 1] de aankoopverplichting, zoals hij in het aanvraagformulier heeft vermeld, is aangegaan vóór indiening van de aanvraag. De e-mail van 19 september 2019 met het advies van het installatiebedrijf geeft in dit verband geen aanleiding tot een andere opvatting. Verder heeft het eerste contact met de RVO waarvan uit het dossier blijkt plaatsgevonden op 2 juli 2020, dus nadat de aankoopverplichting was aangegaan en na de indiening van de aanvraag. De minister heeft in dit verband opgemerkt dat uit het archief ook overigens niet is gebleken dat er vóór de indiening van de aanvraag telefonisch contact is geweest met [naam 1] . Het hiervoor genoemde betekent dat niet is voldaan aan het vereiste van stimulerend effect als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (Algemene groepsvrijstellingsverordening). De minister was daarom op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (Kaderbesluit) gehouden de aanvraag af te wijzen.
3.2
Artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit schrijft dwingend voor dat de minister een aanvraag voor een subsidie afwijst indien niet wordt voldaan aan het vereiste van stimulerend effect. Dit is in verband met de omstandigheid dat de subsidie mogelijk staatssteun bevat. De minister heeft geen ruimte om af te wijken van de desbetreffende bepaling. Hierdoor heeft de minister ook geen ruimte voor een belangenafweging. De omstandigheden die [naam 1] aanvoert zijn niet zo uitzonderlijk dat dit maakt dat het bestreden besluit onevenredig is.
4 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. H. Caglayankaya, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
w.g. H.S.J. Albers w.g. H. Caglayankaya