ECLI:NL:CBB:2024:9
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag voor warmtepompen wegens ontbreken stimulerend effect
De zaak betreft een beroep van een aanvrager tegen het besluit van de minister om zijn subsidieaanvraag voor achttien warmtepompen af te wijzen. De aanvraag werd afgewezen omdat de aanvrager de aankoopverplichting voor de warmtepompen was aangegaan vóór het indienen van de subsidieaanvraag, waardoor niet werd voldaan aan het vereiste van stimulerend effect zoals voorgeschreven in de relevante regelgeving.
De aanvrager erkent het zakelijke karakter van zijn aanvraag en betwist niet dat de aankoopverplichting vóór de aanvraagdatum is aangegaan. Hij voerde aan dat hij direct na ontvangst van het advies van het installatiebedrijf heeft geprobeerd de aanvraag in te dienen en dat hij telefonisch contact had met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) over de indieningsproblemen. Deze omstandigheden zijn echter onvoldoende om het stimulerend effect alsnog aan te nemen.
Het College stelt vast dat de minister op grond van artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies verplicht was de aanvraag af te wijzen bij het ontbreken van het stimulerend effect. Er is geen ruimte voor een belangenafweging of afwijking van deze regel. De omstandigheden aangevoerd door de aanvrager zijn niet uitzonderlijk genoeg om het besluit als onevenredig te beschouwen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 9 januari 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag is ongegrond verklaard wegens ontbreken van stimulerend effect.