Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
v.o.f. [naam 1] , te [plaats] (vennootschap)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop
Overwegingen
De minister heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat de uitsluiting van derogatie geen (afzonderlijk) besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen bezwaar en beroep kan worden gericht. Om die reden moet het verzoek, dat is gericht tegen uitsluiting van derogatie over 2025, volgens de minister niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor zover de minister dit standpunt handhaaft, volgt de voorzieningenrechter de minister hierin niet. Het verzoek van de vennootschap gaat over de intrekking en uitsluiting van derogatie. Voor zover de uitsluiting van derogatie op zichzelf geen besluit zou zijn omdat deze voortvloeit uit de intrekking, zoals de minister stelt, geldt dat in ieder geval wel voor de intrekking van derogatie, waaruit de uitsluiting volgt. De voorzieningenrechter heeft dan ook geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb op het verzoek te beslissen zonder zitting omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk zou zijn, zoals de minister heeft verzocht.