ECLI:NL:CBB:2025:146
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen maatregel tijdelijke doorhaling accountant wegens onrechtmatig aanvragen NOW-subsidie
De zaak betreft het hoger beroep van een accountant tegen een maatregel van tijdelijke doorhaling van één maand, opgelegd door de accountantskamer wegens het onterecht aanvragen van NOW-subsidie voor zijn accountantskantoor.
De accountant had als directeur en mede-eigenaar van zijn kantoor tijdens de coronacrisis NOW-voorschotten aangevraagd en ontvangen, terwijl hij redelijkerwijs niet kon veronderstellen dat zijn kantoor voldeed aan de voorwaarden van artikel 3 van Pro de NOW. Dit omdat het omzetverlies grotendeels werd veroorzaakt door het vertrek van een partner met medeneming van klanten, wat geen buitengewone omstandigheid is die buiten het normale ondernemersrisico valt. Bovendien had hij hiervoor een vergoeding ontvangen.
De accountantskamer oordeelde dat de accountant handelde in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en professionaliteit en legde de maatregel op. In hoger beroep betoogde de accountant onder meer dat hij een verdedigbaar standpunt innam en dat de maatregel te zwaar was, maar het College verwierp deze gronden. Het College benadrukte de poortwachtersfunctie van accountants en het belang van integer handelen bij het aanvragen van coronasteun. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de maatregel gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de maatregel van tijdelijke doorhaling voor één maand gehandhaafd.