De zaak betreft de afwijzing van de aanvraag voor basis- en vergroeningsbetalingen onder het GLB voor het jaar 2020 aan [naam 1], die schapen en paarden houdt. De minister wees de aanvraag af en legde een randvoorwaardenkorting van 54% op vanwege het verhinderen van bedrijfscontroles door de NVWA en het overtreden van diverse randvoorwaarden.
De NVWA voerde in februari en september 2020 controles uit, waarbij inzage in administratie en bescheiden werd gevorderd. [naam 1] weigerde op meerdere momenten inzage te geven, wat de minister aanmerkte als verhindering van de controle. [naam 1] betwistte dit en stelde dat zij medewerking had verleend en dat de toezichthouders misbruik van bevoegdheden maakten.
Het College oordeelde dat de weigering tot inzage de bedrijfscontrole ter plaatse heeft verhinderd en dat de minister op grond van EU-verordening 1306/2013 verplicht was de aanvraag af te wijzen. De beschuldigingen van misbruik en fraude door toezichthouders waren onvoldoende onderbouwd. Het College stelde vast dat [naam 1] geen belang meer had bij een oordeel over de randvoorwaardenkorting, omdat deze niet meer geëffectueerd kon worden door de afwijzing van de betalingen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.