De maatschap verzocht in 2021 rechtstreekse betalingen GLB, waarop de minister een randvoorwaardenkorting van 3% oplegde wegens vermeende niet-vergunde mestopslag van meer dan 600 kubieke meter. Toezichthouders van de RUD Drenthe constateerden op 7 december 2021 aanwezigheid van een mobiele mestscheidingsinstallatie en opslag van droge mestfractie zonder vergunning. De maatschap betwistte de omvang van de mestopslag en het vergunningvereiste.
Het College beoordeelde dat het rapport van de toezichthouders onvoldoende feitelijke grondslag bood om de omvang van de mestopslag vast te stellen. Foto’s en luchtfoto’s waren onvoldoende duidelijk en er was geen meting verricht. De vooraankondiging van de last onder dwangsom door de gemeente voegde geen nieuwe feiten toe. Hierdoor was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en zorgvuldig voorbereid.
Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Daarnaast werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van de maatschap en tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook werden griffierecht en proceskosten voor het verzoek om immateriële schadevergoeding toegewezen.