ECLI:NL:CBB:2025:168

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
22/2216
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen subsidie vaststelling vaste lasten financiering COVID-19 afgewezen

De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken waarin een subsidie voor het tweede kwartaal van 2021 op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) werd vastgesteld. De onderneming betwistte de toegepaste SBI-code 85.52.1 (dansscholen) en de hoogte van de referentieomzet.

Op de zitting van 29 januari 2024 is afgesproken dat het oordeel over de juiste SBI-code uit een gerelateerd beroep (zaaknummer 22/2215) ook in deze zaak zal gelden. De onderneming kreeg de gelegenheid een suppletieaangifte omzetbelasting over Q2 2019 in te dienen om de referentieomzet te corrigeren.

De minister heeft daarop het bestreden besluit herzien en een hogere subsidie toegekend op basis van de nieuwe suppletieaangifte en de SBI-code 85.52.1. Het College oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van deze SBI-code en de suppletieaangifte als basis voor de omzet.

Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, nu het herzieningsbesluit het bestreden besluit vervangt. Het beroep tegen het herzieningsbesluit is ongegrond. Het College bepaalt dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht van € 365,- aan haar moet vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit is niet-ontvankelijk en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond verklaard; de minister moet het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2216

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigden: mr. S.F. Hu en mr. Y. Ouchene)

Procesverloop

Met het besluit van 2 november 2021 (subsidiebesluit
)heeft de minister de onderneming op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het tweede kwartaal (Q2) van 2021 een subsidie verleend van € 2.831,92.
Met het besluit van 20 september 2022 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De onderneming heeft nadere stukken ingezonden.
Op de zitting van 29 januari 2024 is dit beroep gelijktijdig behandeld met het beroep van de onderneming geregistreerd onder zaaknummer 22/2215. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] en [naam 3] , namens de onderneming, en de gemachtigden van de minister.
In het voorliggende beroep (zaaknummer 22/2216) is het onderzoek op de zitting geschorst. In het beroep met zaaknummer 22/2215 heeft het College op 12 maart 2024 uitspraak gedaan (ECLI:NL:CBB:2024:169).
Na de zitting zijn van de minister en de onderneming (desgevraagd) berichten ontvangen over de stand van zaken.
Met het besluit van 25 juli 2024 (herzieningsbesluit) heeft de minister het bestreden
besluit ingetrokken en vervangen door het herzieningsbesluit, het subsidiebesluit herroepen en voor Q2 van 2021 een subsidie verleend van € 3.641,04.
Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De onderneming heeft in haar beroepschrift aangevoerd dat de minister bij de berekening van het subsidiebedrag ten onrechte is uitgegaan van de Standaard Bedrijfsindeling(SBI)-code 85.52.1 (Dansscholen), met een bijbehorend vaste lastenpercentage van 18. Daarnaast vindt de onderneming dat de minister voor de referentieomzet van een onjuist bedrag is uitgegaan.
2 Op de zitting van 29 januari 2024 is besproken dat het door het College in zijn uitspraak in het beroep met zaaknummer 22/2215 te geven oordeel over de vraag welke SBI-code van toepassing is, ook als uitgangspunt zal gelden in de hier voorliggende zaak. Wat betreft de referentieomzet is afgesproken dat de onderneming in de gelegenheid wordt gesteld om over Q2 van 2019 (referentieperiode) een suppletieaangifte omzetbelasting bij de Belastingdienst in te dienen. Dit om de – volgens de onderneming ten onrechte – eerder over dat kwartaal ingediende suppletieaangifte, met een omzet van € 0,-, te corrigeren. Nadat de (nieuwe) suppletieaangifte zichtbaar is in het door de minister voor subsidies op grond van de TVL geraadpleegde systeem, zal hij nagaan wat het in de suppletieaangifte opgegeven omzetbedrag betekent voor de subsidieverlening en zo nodig een nieuw besluit nemen.
3 In de hiervoor genoemde uitspraak van 12 maart 2024 heeft het College geoordeeld dat het zich kan vinden in de conclusie van de minister dat de SBI-code 85.52.1 voor dansscholen het best aansluit bij de feitelijke activiteiten van de onderneming.
4 Met het herzieningsbesluit heeft de minister voor Q2 van 2021 aan de onderneming een (hogere) subsidie verleend van € 3.641,04. Bij de berekening van de hoogte van het subsidiebedrag is de minister voor de referentieomzet uitgegaan van de omzet zoals die volgt uit de – na de zitting van 29 januari 2024 – over Q2 van 2019 ingediende suppletieaangifte, te weten € 35.818,-. Verder is bij de berekening het bij de SBI-code 85.52.1 behorende vaste lastenpercentage van 18 gehanteerd.
5 Naar aanleiding van het herzieningsbesluit heeft het College de onderneming verzocht om aan te geven of zij het beroep tegen het bestreden besluit wil intrekken en is zij, bij handhaving van het beroep, in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen. Hierop is geen reactie van de onderneming ontvangen.
6 Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het bestreden besluit van rechtswege ook betrekking op het herzieningsbesluit waarmee het bestreden besluit is ingetrokken. Niet is gebleken dat de onderneming nog belang heeft bij een beoordeling van het beroep tegen het bestreden besluit. Dat beroep is dan ook niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
7 Wat betreft de (juistheid van de) door de minister in het herzieningsbesluit gehanteerde SBI-code en het bijbehorende vaste lastenpercentage, wordt verwezen en aangesloten naar wat daarover onder 2.6 in de uitspraak van 12 maart 2024 door het College is overwogen en geoordeeld. Dit betekent dat de minister de hoogte van de subsidie terecht heeft bepaald aan de hand van de SBI-code 85.25.1 (Dansscholen).
8 Het College ziet verder geen aanleiding om te oordelen dat de minister had moeten afwijken van het uitgangspunt dat in de situatie dat een onderneming over haar hele omzet aangifte omzetbelasting doet, de (suppletie)aangifte omzetbelasting leidend is voor het bepalen van de omzet en het berekenen van het omzetverlies. Dat de onderneming onderdeel is van een fiscale eenheid maakt dat niet anders, nu het hier een zogenaamde stand-alone-situatie betreft. De onderneming heeft de omzetten die de minister heeft bepaald en het op basis daarvan berekende omzetverlies, zoals weergegeven in het herzieningsbesluit, niet betwist. Dat geldt ook voor de hoogte van het te verlenen subsidiebedrag.
9 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond is.
10 Het College ziet in het herzieningsbesluit aanleiding te bepalen dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht aan haar dient te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond;
  • bepaalt dat de minister het door de onderneming betaalde griffierecht van € 365,- aan haar dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, in aanwezigheid van mr. J.M. Baars, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2025.
w.g. D. Brugman w.g. J.M. Baars