Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
[naam 1] , te [woonplaats]
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop
Overwegingen
7 maart 2018 was opgeheven.
8 februari 2018 en 7 maart 2018 herroepen. Volgens de minister is uit nader onderzoek gebleken dat hij het bedrijf van [naam 1] ten onrechte had geblokkeerd. Volgens hem was geen sprake van onregelmatigheden wat betreft de door [naam 1] op het bedrijf gehouden vaarzen en meerlingen.
14 april 2020 aan hem heeft vergoed. Hij heeft hiertoe het navolgende aangevoerd.
[naam 2] ( [naam 2] ) die de koeien op 9 februari 2018 van het bedrijf van [naam 1] zou komen ophalen. Deze koeien zijn uiteindelijk pas op 15 maart 2018 van het bedrijf van Uenk afgevoerd.
€ 252,96 (€ 3,72 x 34 x 2) en die voor de koe met werknummer 0582 € 130,20 (€ 3,72 x 35). De extra voerkosten voor de drie koeien samen bedragen aldus € 383,16.
15 maart 2018 zijn afgevoerd. De minister is van mening dat ervan moet worden uitgegaan dat deze twee koeien 22 dagen later dan gepland zijn afgevoerd.
€ 127,44 ( € 2,36 x 27 x 2) heeft de minister met het besluit van 14 april 2020 daarvoor al toegekend aan [naam 1] , zodat [naam 1] wat betreft deze koeien recht heeft op een restantbedrag voor voerkosten van € 33,04 (€ 160,48 – € 127,44).
€ 82,60 (€ 2,36 x 35 dagen). Het College is namelijk met de minister van oordeel dat [naam 1] de voerkosten niet heeft onderbouwd, zodat de door de minister in het besluit van 14 april 2020 gehanteerde berekeningswijze van de voerkosten moet worden gevolgd.
16 maart 2018 in te laten slapen voor vergoeding in aanmerking, omdat hij die kosten zonder de bedrijfsblokkade niet zou hebben gemaakt.
13 maart 2018, dan hebben de vaarzen 27 dagen langer op het bedrijf moeten staan dan zonder bedrijfsblokkade het geval was geweest.
€ 573,48 (€ 2,36 x 27 x 9).Het College is namelijk met de minister van oordeel dat [naam 1] de voerkosten niet heeft onderbouwd, zodat de door de minister in het besluit van 14 april 2020 gehanteerde berekeningswijze van voerkosten moet worden gevolgd.
(€ 1.814,- + € 4.599,40).
Beslissing
€ 6.413,40;