De minister van Landbouw legde in juli en augustus 2021 twee lasten onder bestuursdwang op aan de paardenhouder wegens overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. Na hercontroles werden paarden in bewaring genomen en later verkocht. De paardenhouder maakte bezwaar tegen de bestuursdwangbesluiten, de inbewaringneming en de verkoop van de paarden. De minister verklaarde de bezwaren tegen de feitelijke tenuitvoerlegging van bestuursdwang niet-ontvankelijk en behandelde het bezwaar tegen de lasten onder bestuursdwang alsnog.
Het College onderzocht of de minister de bezwaren terecht niet-ontvankelijk had verklaard. Het College achtte aannemelijk dat de paardenhouder op 19 augustus 2021 tijdig bezwaar had gemaakt, wat aanleiding gaf tot inhoudelijke behandeling van dat bezwaar door de minister. De bezwaren tegen de feitelijke uitvoering van bestuursdwang, zoals inbewaringneming en verkoop, zijn volgens vaste jurisprudentie feitelijke handelingen waartegen geen bezwaar of beroep openstaat.
Het College concludeerde dat de bezwaren tegen de bestuursdwangbesluiten tijdig kunnen worden behandeld, maar de bezwaren tegen de feitelijke tenuitvoerlegging terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De beroepen van de paardenhouder zijn ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.