ECLI:NL:CBB:2025:414
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning extra betaling jonge landbouwers wegens ontbreken blokkerende zeggenschap in CV
De zaak betreft een beroep van een commanditaire vennootschap (CV) tegen de afwijzing van een aanvraag voor de extra betaling jonge landbouwers op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB. De minister had de aanvraag afgewezen omdat de jonge landbouwer op het moment van de aanvraag geen blokkerende zeggenschap had in de CV.
De CV betoogde dat uit de vennootschapsovereenkomst en de maatschapsakte kon worden afgeleid dat de jonge landbouwer wel degelijk blokkerende zeggenschap had, zoals ook in voorgaande jaren was erkend. De minister stelde echter dat de vennootschapsovereenkomst geen bepalingen bevat die de blokkerende zeggenschap bevestigen binnen de CV, en dat de bepalingen uit de maatschapsakte niet zonder meer van toepassing zijn op de CV.
Het College oordeelde dat de vennootschapsovereenkomst slechts bepaalt dat de beherend vennoten bevoegd zijn om namens de CV te handelen, maar niets regelt over hun onderlinge bevoegdheden of blokkerende zeggenschap. De registratie bij de Kamer van Koophandel kon de afwezigheid van blokkerende zeggenschap niet compenseren, omdat deze registratie moet worden ondersteund door de vennootschapsovereenkomst. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de CV wordt ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van blokkerende zeggenschap van de jonge landbouwer binnen de CV.