De pluimveehouderij stelde hoger beroep in tegen een boetebesluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wegens overtreding van de Wet dieren. De rechtbank Rotterdam had de boete bevestigd, maar gematigd tot €1.350.
In hoger beroep betwistte de pluimveehouderij de bewijskracht van het rapport van bevindingen waarop de boete was gebaseerd. Het College constateerde dat niet kon worden vastgesteld wie het rapport had opgesteld en dat het niet aannemelijk was dat dit een dierenarts was. Hierdoor was het rapport onvoldoende als bewijs.
Het College vernietigde het bestreden besluit en het boetebesluit, en veroordeelde de minister tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten in hoger beroep. De uitspraak werd mondeling gedaan op 1 oktober 2025 door het College van Beroep voor het bedrijfsleven.