De ondernemer heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een ontheffing aangevraagd om de winkel op bepaalde avonden langer te mogen openen. Het college heeft dit verzoek geweigerd vanwege een algemeen beeld van overlast en onveiligheid in de buurt, veroorzaakt door hangjongeren en een crimineel netwerk.
De ondernemer maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat de winkel gedurende zes weken langer open mocht blijven in afwachting van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter oordeelde dat de ondernemer spoedeisend belang had vanwege financiële problemen en dat het college niet volstond met een algemeen veiligheidsbeeld.
Er ontbraken concrete aanwijzingen dat de winkel zelf bijdroeg aan de overlast. Sinds de exploitatie waren geen incidentmeldingen gerelateerd aan de winkel. Daarom werd het weigeringsbesluit als onzorgvuldig en in strijd met de Algemene wet bestuursrecht beoordeeld. De voorlopige voorziening werd toegewezen, het college werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd vergoed.