ECLI:NL:CBB:2025:570

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 oktober 2025
Publicatiedatum
20 oktober 2025
Zaaknummer
25/745
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Verordening winkeltijden Amsterdam 2017Art. 2 lid 3 Verordening winkeltijden Amsterdam 2017Art. 3:2 Algemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen weigering ontheffing winkeltijdenwet wegens onvoldoende concrete aanwijzingen overlast

De ondernemer heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een ontheffing aangevraagd om de winkel op bepaalde avonden langer te mogen openen. Het college heeft dit verzoek geweigerd vanwege een algemeen beeld van overlast en onveiligheid in de buurt, veroorzaakt door hangjongeren en een crimineel netwerk.

De ondernemer maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat de winkel gedurende zes weken langer open mocht blijven in afwachting van de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter oordeelde dat de ondernemer spoedeisend belang had vanwege financiële problemen en dat het college niet volstond met een algemeen veiligheidsbeeld.

Er ontbraken concrete aanwijzingen dat de winkel zelf bijdroeg aan de overlast. Sinds de exploitatie waren geen incidentmeldingen gerelateerd aan de winkel. Daarom werd het weigeringsbesluit als onzorgvuldig en in strijd met de Algemene wet bestuursrecht beoordeeld. De voorlopige voorziening werd toegewezen, het college werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd vergoed.

Uitkomst: Het weigeringsbesluit wordt geschorst en de ondernemer mag de winkel openen volgens de ontheffing gedurende zes weken.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/745

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 oktober 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , handelend onder de naam [naam 2] , te [woonplaats] (ondernemer)

(gemachtigden: mr. L.W. Tellegen en mr. H.E.M. van Beurden),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, (B&W)

(gemachtigden: mr. M. Boermans, mr. S. Ju en S. Ham).

Procesverloop

Met het besluit van 19 december 2024 (weigeringsbesluit) heeft B&W de aanvraag van de ondernemer voor een ontheffing op grond van artikel 6 van Pro de Verordening winkeltijden Amsterdam 2017 (Verordening) afgewezen.
De ondernemer heeft tegen het weigeringsbesluit bezwaar gemaakt.
De ondernemer heeft hangende bezwaar de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het weigeringsbesluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar wordt geschorst, dat de ondernemer zijn winkel gedurende de schorsing van het besluit mag openstellen van maandag tot en met donderdag tot 01:00 uur en van vrijdag tot en met zondag tot 03:00 uur als ware hij in het bezit van een ontheffing op grond van de Verordening, en om B&W te veroordelen in de proceskosten en het betaalde griffierecht.
De zitting was op 3 oktober 2025. Aan de zitting hebben de ondernemer en de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, in die zin dat het weigeringsbesluit wordt geschorst en dat B&W de ondernemer moet behandelen als ware hij in het bezit van een ontheffing als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Verordening waarbij de avondwinkel van maandag tot en met donderdag tot 01:00 uur en van vrijdag tot en met zondag tot 03:00 uur geopend mag zijn;
  • bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de bekendmaking van het besluit op het bezwaar van de ondernemer;
  • draagt het B&W op het betaalde griffierecht van € 194,- aan de ondernemer te vergoeden;
- veroordeelt B&W in de proceskosten van de ondernemer tot een bedrag van € 1.814,-.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter oordeelt dat de ondernemer spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op de door hem overgelegde financiële stukken, waaronder een ingebrekestelling van een aanbieder van zakelijke leningen en beleggingen, heeft de ondernemer aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van zijn bedrijfsvoering in het geding is.
2 Op grond van artikel 2, derde lid, van de Verordening kan B&W weigeren een ontheffing te verlenen, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de exploitatie van de winkel gevaar zal opleveren voor de openbare orde of veiligheid dan wel het woon- en leefklimaat ter plaatse op ontoelaatbare wijze nadelig zal beïnvloeden. B&W heeft de ontheffing geweigerd omdat de winkel is gevestigd in een buurt waar al jarenlang overlast is van hangjongeren en een crimineel netwerk, en waar bewoners ’s avonds en ’s nachts niet meer over straat durven vanwege de grote hoeveelheid incidenten en het daarmee gepaard gaande gevoel van onveiligheid. Een avondwinkel zou een extra plek voor hangjongeren en overlast creëren. B&W vindt de openbare orde en veiligheid in het gebied belangrijker dan de uitbreiding van de openingstijden van de ondernemer.
3 Zoals het College al vaker heeft geoordeeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 23 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:279), kan het gemeentebestuur bij de weigering om een ontheffing te verlenen niet volstaan met alleen een algemeen beeld van de veiligheidssituatie, maar moeten er ook concrete aanwijzingen zijn dat de exploitatie van de betreffende winkel zal bijdragen aan de overlast of de onveiligheid. De voorzieningenrechter stelt vast dat B&W weliswaar stukken heeft ingebracht waaruit kan worden opgemaakt dat criminaliteit, overlast, hangjongeren en onveiligheid reële problemen zijn in de [wijk] , maar dat er geen informatie beschikbaar is gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat deze problemen in enige mate te relateren zijn aan de winkel van de ondernemer. Sinds de ondernemer de winkel exploiteert, is er geen enkele incidentmelding geweest die specifiek betrekking had op de winkel. Dat betekent dat het weigeringsbesluit, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en daarom in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4 De voorzieningenrechter veroordeelt B&W in de door de ondernemer gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 ,- en een wegingsfactor 1). Ook moet B&W het door de ondernemer betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van J.R. Willemstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2025.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. J.R. Willemstein
Afschrift verzonden aan partijen op: