ECLI:NL:CBB:2025:605

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
24/504
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering invoer hond uit Libanon wegens onjuiste invoerdocumenten en vaccinatie-eisen

In deze zaak heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven op 18 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen een appellante en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. De appellante had haar hond vanuit Libanon naar de Europese Unie willen invoeren, maar de minister weigerde dit op basis van onjuiste invoerdocumenten en niet-naleving van de vaccinatie-eisen tegen rabiës. De hond werd op 14 september 2023 teruggestuurd naar Libanon. De appellante had een EU-dierenpaspoort en een Libanees vaccinatieboekje, maar deze voldeden niet aan de vereisten van Verordening (EU) nr. 576/2013. De minister stelde vast dat de hond niet voldeed aan de eisen voor invoer, waaronder een geldige vaccinatie tegen rabiës en een titreringstest. De appellante voerde aan dat haar hond wel degelijk gevaccineerd was en dat de documenten correct waren, maar het College oordeelde dat de minister terecht had gehandeld. De uitspraak bevestigde dat de invoer van dieren vanuit derde landen aan strikte voorwaarden is gebonden, en dat de minister geen ruimte had om af te wijken van de regels. Het beroep van de appellante werd ongegrond verklaard, en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 24/504

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (appellante)

(gemachtigde: mr. J. Biemond)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. B.M. Kleijs)

Procesverloop

Met het besluit van 26 oktober 2023 (primaire besluit) heeft de minister de invoer van de hond van appellante vanuit Libanon naar de Europese Unie geweigerd en de hond in quarantaine geplaatst.
Met het besluit van 19 april 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
Met het besluit van 3 mei 2024 heeft de minister € 279,97 aan kosten op appellante verhaald.
Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De zitting was op 1 oktober 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden en appellante deelgenomen.
Na de zitting heeft appellante nadere stukken ingediend. Het College heeft hierin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1.1
Op 9 september 2023 kwam appellante aan op Schiphol vanuit Libanon met haar hond [naam 2] . Tijdens een controle heeft een douaneambtenaar vastgesteld dat de invoerdocumenten en vaccinaties niet voldeden aan de voorwaarden voor de invoer van de hond vanuit een derde land naar de Europese Unie (EU). De douaneambtenaar heeft zijn bevindingen neergelegd in een proces-verbaal van 10 september 2023 en schrijft onder meer:
“Hondje reist onder geleide van een EU dieren paspoort waarin de vaccinatie gegevens ontbreken, er staan wel Rabiës vaccinaties in een Libanees vaccinatie boekje vermeld. Verdachte en eigenaresse van het hondje is niet in het bezit van de vereiste uitslag van serologisch onderzoek.”
1.2
De douaneambtenaar heeft de hond en de getoonde papieren overgedragen aan een dierenarts van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), die op 15 september 2023 onder meer rapporteert:
“De dienstdoende douanier overhandigde mij een dierenpaspoort. […] Ik zag in de documenten dat de hond geboren was op 22-03-2021.Ik zag verder dat de hond […]:
• geen geldige vaccinatie tegen rabiës heeft ontvangen.
• De vaccinatiedatum is niet vermeld op een (naar behoren ingevuld) identificatiedocument. De vaccinatiedatum ligt voor de datum waarop de chip is aangebracht of gelezen is. De geldigheidsduur van de vaccinatie is verlopen. […]
• […] De titreringstest op rabiësantilichamen is niet vermeld op een (naar behoren ingevuld) identificatiedocument. De titreringstest op rabiësantilichamen is uitgevoerd minder dan drie maanden voor het vertrek vanuit het derde land. […]
• niet vergezeld gaat van een naar behoren ingevuld identificatiedocument. Het EU Paspoort is niet compleet ingevuld, er is geen correct EU HC. […]
Hierop heb ik besloten voornoemde hond in tijdelijke afzondering te plaatsen.”
1.3
De minister heeft geconcludeerd dat appellante niet over de juiste invoerdocumenten voor haar hond beschikte en dat de hond niet voldeed niet aan de eisen met betrekking tot de rabiësvaccinatie om ingevoerd te mogen worden in de Europese Unie. Dit levert volgens de minister verschillende overtredingen op van Verordening (EU) nr. 576/2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (Verordening 576/2013). De minister heeft de hond daarom de toegang tot de Europese Unie geweigerd en onder officiële controle afgezonderd in afwachting van de terugkeer naar Libanon. Op 14 september 2023 is de hond teruggezonden naar Libanon.
1.4
De minister heeft die maatregelen op schrift gesteld in het primaire besluit van 26 oktober 2023. Met het besluit van 3 mei 2024 heeft de minister de kosten van vijf dagen opvang, administratiekosten en transportkosten, tot een bedrag van € 279,97 op appellante verhaald.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Gronden van beroep
3 Volgens appellante is haar hond ten onrechte de toegang tot Nederland geweigerd. Zij beschikte namelijk over een EU-dierenpaspoort en een in Libanon door een dierenarts afgegeven vaccinatieboekje. Uit het vaccinatieboekje blijkt dat de hond in Libanon (herhaaldelijk) is gevaccineerd en dat ook de titreringstest actueel is. Het klopt niet dat de vaccinatiedatum vóór de datum ligt waarop de chip is aangebracht of gelezen. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de titreringstest niet op het juiste moment was uitgevoerd. Er was dus geen sprake van een overtreding. De hond had in Nederland kunnen worden getest op rabiës en andere besmettelijke ziekten. Terugsturen was niet nodig, volgens appellante.
Standpunt van de minister
4 Volgens de minister ontbrak bij het invoeren van de hond een naar behoren ingevuld identificatiedocument. Alleen daarom al was er sprake van een overtreding. Daarnaast lag de vaccinatiedatum vóór de datum waarop de chip is aangebracht. Ook was de titreringstest op rabiësantilichamen niet op het juiste moment uitgevoerd. De vaccinatie en titreringstest waren niet op het identificatiedocument ingevuld. De Verordening biedt dan maar drie mogelijkheden: de hond terug sturen, de hond in officiële afzondering plaatsen gedurende de tijd die nodig is om de overtredingen op te heffen of de hond te doden. Appellante heeft er zelf voor gekozen om met de hond terug te reizen naar Libanon.
Beoordeling door het College
5.1
Artikel 10 van Verordening 576/2013 staat de invoer van dieren vanuit een derde land naar een EU-lidstaat onder (strikte) voorwaarden toe. Zo is vereist dat het dier is gechipt, dat het een rabiësvaccinatie heeft ontvangen en een titreringstest op rabiësantilichamen ondergaan heeft. De vaccinatie en titreringstest moeten voldoen aan bepaalde geldigheidsvoorschriften (bijlagen III en IV van de Verordening). Daarnaast moet het dier vergezeld gaan van een naar behoren ingevuld identificatiedocument. De Verordening bevat regels over de wijze van afgifte van het identificatiedocument en het formaat en de inhoud daarvan.
5.2
Een geldig identificatiedocument is in ieder geval een naar behoren ingevuld gezondheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 25 en 26 van de Verordening. Een dierenarts uit het derde land moet dit certificaat invullen en ondertekenen. Onder omstandigheden geldt ook het EU-dierenpaspoort als geldig identificatiedocument. Dit volgt uit artikel 27 van de Verordening.
5.3
Tijdens de controle op 9 september 2023 reisde appellante met een EU-dierenpaspoort en een Libanees vaccinatieboekje voor haar hond. Zij beschikte niet over een gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 25 en 26 van Verordening. Het Libanees vaccinatieboekje is geen identificatiedocument. Het EU-dierenpaspoort voldeed niet aan de voorwaarden om daarmee vanuit een derde land naar een lidstaat te reizen, omdat niet was ingevuld dat de hond een rabiësvaccinatie had ontvangen en een titreringstest had ondergaan. Bij de invoer was de hond dus niet vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument. Dit levert een overtreding van artikel 10 van Verordening 576/2013 op, zodat de minister alleen al om die reden de invoer niet kon toestaan. Daarbij doet niet ter zake dat, zoals appellante betoogt, de hond wel gevaccineerd was en uit een in België afgenomen titreringstest zou blijken dat de hond nog goed beschermd was tegen rabiës. De Verordening biedt de minister namelijk geen ruimte om een hond zonder geldig identificatiedocument toch toe te laten. Overigens bevat het Libanese vaccinatieboekje weliswaar gegevens over toegediende vaccinaties en afgenomen titreringstesten, maar daarop ontbreekt het chipnummer van de hond, zodat de gegevens in het boekje niet aan de hond van appellante vallen te koppelen.
5.4
Artikel 35 van de Verordening kent slechts een beperkt aantal maatregelen als niet wordt voldaan aan de invoereisen. Vanwege de risico’s en om de kosten voor appellante zo laag mogelijk te houden, is in overleg met haar gekozen voor het terugsturen van de hond. De minister heeft onweergesproken gesteld dat over de opties overleg is gepleegd met appellante en dat zij heeft ingestemd met het terugsturen van haar hond.
Slotsom
6 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.A. Blankenstein, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
w.g. R.C. Stam w.g. C.A. Blankenstein

Bijlage

Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren
Artikel 10 - Voorwaarden voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten
1. Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten mogen niet uit een gebied of een derde land naar een lidstaat worden verplaatst, tenzij zij voldoen aan de volgende voorwaarden:
zij zijn gemerkt overeenkomstig artikel 17, lid 1;
zij hebben een vaccinatie tegen rabiës ontvangen die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage III;
zij hebben een titreringstest op rabiësantilichamen ondergaan die voldoet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage IV;
zij voldoen aan de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 19, lid 1;
zij gaan vergezeld van een naar behoren ingevuld identificatiedocument dat is
afgegeven overeenkomstig artikel 26.
2. Het verkeer van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten naar een lidstaat uit een ander gebied of derde land dan die welke vermeld zijn in de op grond van artikel 13, lid 1, vastgestelde lijst, mag uitsluitend via een punt van binnenkomst voor reizigers, dat op grond van artikel 34, lid 3, vermeld is op een lijst.
3. In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten toestaan dat het verkeer van geregistreerde militaire, speur- of reddingshonden via een ander punt van binnenkomst dan dat voor reizigers verloopt, op voorwaarde dat:
de eigenaar of de gemachtigde persoon van tevoren een vergunning heeft aangevraagd en de lidstaat deze vergunning heeft verstrekt, en
de honden aan nalevingscontroles zijn onderworpen op een door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen plaats overeenkomstig artikel 34, lid 2, en overeenkomstig de voorwaarden van de in de onder a) van dit lid bedoelde vergunning.
Artikel 17 - Het merken van gezelschapsdieren
1. Gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten worden gemerkt door het inplanten van een transponder of door een duidelijk leesbare tatoeage die vóór 3 juli 2011 is aangebracht.
[…]
Artikel 25 - Formaat en inhoud van het identificatiedocument bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e)
1. Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument heeft het formaat van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig het uit hoofde van lid 2 van dit artikel vast te stellen model en bevat rubrieken voor het vermelden van de volgende informatie:
a. plaats van de transponder of de tatoeage en, hetzij de datum waarop de transponder is ingebracht, hetzij de datum waarop de transponder is uitgelezen of de tatoeage is gecontroleerd, alsmede de alfanumerieke code die op de transponder of de tatoeage is vermeld;
b. soort, ras, door de eigenaar opgegeven geboortedatum, geslacht en kleur van het gezelschapsdier;
c. een uniek referentienummer van het certificaat;
d. naam en contactgegevens van de eigenaar of de gemachtigde persoon;
e. naam, contactgegevens en handtekening van de officiële of gemachtigde dierenarts die het identificatiedocument afgeeft;
f. bijzonderheden over de vaccinatie tegen rabiës;
g. datum van de bloedbemonstering voor de titreringstest op rabiësantilichamen;
h. naleving van de preventieve gezondheidsmaatregelen voor andere ziekten of infecties dan rabiës;
i. naam en handtekening van de vertegenwoordiger van de goedkeurende bevoegde autoriteit;
j. naam, handtekening en contactgegevens van de vertegenwoordiger van bevoegde autoriteit die de controles bedoeld in artikel 34 uitvoert en de datum van die controles;
k. andere relevante informatie betreffende de gezondheidsstatus van het gezelschapsdier.
2. De Commissie stelt de uitvoeringshandeling vast tot vaststelling van het in lid 1 van dit artikel bedoelde model alsmede van de voorschriften betreffende de talen, de opmaak en de geldigheid van het in dat lid bedoelde diergezondheidscertificaat. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3. Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument bevat een schriftelijke verklaring, ondertekend door de eigenaar of de gemachtigde persoon, waarin wordt bevestigd dat de verplaatsing van het gezelschapsdier naar de Unie niet-commercieel verkeer betreft.
Artikel 26 - Afgifte en invulling van het identificatiedocument bedoeld in artikel 10, lid 1, onder e)
Het in artikel 10, lid 1, onder e), bedoelde identificatiedocument wordt afgegeven door een officiële dierenarts van het gebied of derde land van verzending op grond van bewijsstukken, of door een gemachtigde dierenarts, waarna het door de bevoegde autoriteit van het gebied of derde land van verzending wordt bekrachtigd, nadat de afgevende dierenarts:
a. zich ervan heeft vergewist dat het gezelschapsdier overeenkomstig artikel 17, lid 1, is gemerkt, en naar behoren de betrokken rubrieken met de in artikel 25, lid 1, onder a) tot en met h), bedoelde informatie in het identificatiedocument heeft ingevuld, waarmee wordt gecertificeerd dat aan de voorwaarden van artikel 10, lid 1, onder a) en, indien van toepassing, onder b), c) en d), is voldaan.
Artikel 27 - Afwijking van het in artikel 25, lid 1, bepaalde formaat van het identificatiedocument
In afwijking van artikel 25, lid 1, staan de lidstaten het niet- commerciële verkeer naar hun grondgebied van gezelschapsdieren van de in deel A van bijlage I vermelde soorten toe, mits die vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 22 afgegeven identificatiedocument, en mits:
a. het identificatiedocument is afgegeven in een van de gebieden of derde landen die vermeld worden in de op grond van artikel 13, lid 1, vastgestelde lijst, of
b. deze gezelschapsdieren na verplaatsing naar of doorvoer door een gebied of derde land uit een lidstaat, in een lidstaat worden binnengebracht en het identificatiedocument is ingevuld en afgegeven door een gemachtigde dierenarts die certificeert dat de gezelschapsdieren, voordat zij de Unie ver laten:
i. i) de in artikel 10, lid 1, onder b), bedoelde vaccinatie tegen rabiës hebben ontvangen, en
ii) de in artikel 10, lid 1, onder c), bedoelde titreringstest op rabiësantilichamen hebben ondergaan, behalve bij de in artikel 12 vastgestelde afwijking.
Artikel 35 - Maatregelen wanneer tijdens de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat niet aan de voorschriften wordt voldaan
1. Wanneer uit de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles blijkt dat een gezelschapsdier niet voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk II of III, besluit de bevoegde autoriteit in overleg met de officiële dierenarts en, indien nodig, met de eigenaar of de gemachtigde persoon om:
a. het gezelschapsdier terug te sturen naar zijn land of gebied van verzending;
b. het gezelschapsdier onder officieel toezicht af te zonderen gedurende de tijd die nodig is om te voldoen aan de in hoofdstuk II of III vastgestelde voorwaarden, of
c. in laatste instantie, wanneer terugzending of afzondering niet uitvoerbaar is, het dier af te maken overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften inzake de bescherming van gezelschapsdieren bij het doden.
2. Wanneer het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren naar de Unie door de bevoegde autoriteit wordt geweigerd, worden de gezelschapsdieren onder officiële controle afgezonderd in afwachting van:
a. hun terugkeer naar hun land of gebied van verzending, of
b. de vaststelling van een ander administratief besluit betreffende die gezelschapsdieren.
3. De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen worden toegepast op kosten van de eigenaar, zonder mogelijke financiële compensatie voor de eigenaar of de gemachtigde persoon.
Bijlage III - Geldigheidsvoorschriften voor vaccinaties tegen rabiës
1. Het vaccin tegen rabiës moet:
a. een ander dan een levend gemodificeerd vaccin zijn en onder een van de volgende categorieën vallen:
i. i) een geïnactiveerd vaccin met ten minste één antigeneenheid per dosis (aanbeveling van de Wereldgezondheidsorganisatie), of
ii) een recombinant vaccin dat de immuniserende glycoproteïne van het rabiësvirus in een levende virusvector tot expressie brengt;
b. wanneer het wordt toegediend in een lidstaat, een vergunning voor het in de handel brengen hebben verkregen overeenkomstig:
i. i) artikel 5 van Richtlijn 2001/82/EG, of
ii) artikel 3 van Verordening (EG) nr. 726/2004;
wanneer het wordt toegediend in een gebied of derde land, een goedkeuring of een licentie van de bevoegde autoriteit hebben ontvangen en ten minste voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld in het relevante deel van het hoofdstuk betreffende rabiës in het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid.
2. Een vaccinatie tegen rabiës moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
a. het vaccin is toegediend door een gemachtigde dierenarts;
b. het gezelschapsdier is op de datum van toediening van het vaccin minstens twaalf weken oud;
c. de vaccinatiedatum is door een gemachtigde of officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument;
d. de onder c) bedoelde vaccinatiedatum mag niet voorafgaan aan de datum waarop de transponder is ingeplant of de tatoeage is aangebracht, dan wel aan de datum waarop de transponder of de tatoeage gelezen zijn, als vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument;
e. de geldigheidsduur van de vaccinatie gaat in vanaf de vaststelling van de beschermende immuniteit, die niet minder dan 21 dagen na de voltooiing van het door de producent voor de primaire vaccinatie vereiste vaccinatieprotocol plaatsvindt, en loopt door tot het einde van de periode van beschermende immuniteit, als voorgeschreven in de technische specificatie van de in punt 1, onder b), bedoelde vergunning of de in punt 1, onder c), bedoelde goedkeuring of licentie voor het vaccin tegen rabiës in de lidstaat of het gebied of derde land waar het vaccin wordt toegediend;
De geldigheidsduur van de vaccinatie is door een gemachtigde of een officiële dierenarts vermeld in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument.
f. een herhalingsvaccinatie moet als een primaire vaccinatie worden beschouwd indien deze niet binnen de onder e) bedoelde geldigheidsduur van de eerdere vaccinatie is uitgevoerd.
Bijlage IV - Geldigheidsvoorschriften voor de titreringstest op rabiësantilichamen
1. De verzameling van het bloedmonster voor de uitvoering van de titreringstest op rabiësantilichamen moet door een gemachtigde dierenarts worden uitgevoerd en in de desbetreffende rubriek van het identificatiedocument worden gedocumenteerd.
2. De titreringstest op rabiësantilichamen moet:
a. worden uitgevoerd op een monster dat ten minste 30 dagen na de vaccinatiedatum is verzameld, en
i. i) niet minder dan drie maanden vóór de datum van:
— het niet-commerciële verkeer uit een ander gebied of derde land dan die welke zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 13, lid 1 of lid 2, vastgestelde uitvoeringshandelingen, of
— de doorvoer door een dergelijk gebied of derde land waar niet aan de voorwaarden van artikel 12, onder c), wordt voldaan, of
ii) voordat het dier de Unie heeft verlaten om verplaatst te worden naar of doorgevoerd te worden door een ander gebied of derde land dan die welke op grond van artikel 13, lid 1 of lid 2, op de lijst zijn opgenomen; het identificatiedocument in het in artikel 21, lid 1, vastgestelde formaat moet bevestigen dat vóór de datum van de verplaatsing een titreringstest op rabiësantilichamen met gunstig resultaat is uitgevoerd;
b. een niveau van neutraliserende antilichamen tegen het rabiësvirus in serum meten dat gelijk is aan of groter is dan 0,5 IU/ml, waarbij gebruik wordt gemaakt van een methode die wordt voorgeschreven in het desbetreffende deel van het hoofdstuk betreffende rabiës in het Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid;
c. worden uitgevoerd in een erkend laboratorium overeenkomstig artikel 3 van Beschikking 2000/258/EG;
d. niet worden hernieuwd na een toereikend resultaat, als beschreven onder b), mits het gezelschapsdier opnieuw wordt gevaccineerd binnen de in punt 2, onder e), van bijlage III vermelde geldigheidsduur van de vorige vaccinatie.