3.4In dit geval doorkruist het besluit van 30 september 2024 het hoger beroep niet onaanvaardbaar. Het hoger beroep richt zich immers (nog) tegen de wijze waarop de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien en daarover kan en zal het College oordelen. Indien en voor zover het College daarbij zich niet kan vinden in de uitkomst van het besluit van 30 september 2024, kan het dat besluit zo nodig vernietigen en zelf in de zaak voorzien. De veehouder gaat eraan voorbij dat de aangevallen uitspraak (deels) onderworpen is aan het hoger beroep en daarmee geen gezag van gewijsde heeft verkregen.
3.5.1De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak (in 7.2.2) overwogen:
“De minister stelt zich terecht op het standpunt dat sprake is van een schijnconstructie. Het samenstel van handelingen – bemonstering, analyse en het doorgeven van de geanalyseerde gehalte als vervoersgegeven – heeft gezien de opgegeven onaannemelijk hoge fosfaatgehalte geen praktische, reële betekenis. Het moet ervoor worden gehouden dat deze gegevens uitsluitend zijn doorgegeven zodat op papier is voldaan aan de mestverwerkingsplicht.”
3.5.2Deze passage heeft de rechtbank geplaatst onder het kopje “Heeft de minister ten onrechte de zesde vracht niet meegenomen in zijn berekening?”. Daaruit, en uit de daaronder weergegeven standpunten, leidt het College af dat 7.2.2 alleen ziet op de zesde vracht. Over de eerste vijf vrachten heeft de rechtbank geen oordeel gegeven.
3.5.3Nu de veehouder geen hoger beroep heeft ingesteld, heeft het oordeel in 7.2.2 tussen partijen gezag van gewijsde gekregen en ook het College moet uitgaan van de juistheid van dat oordeel. Dat oordeel komt er op neer dat voor wat betreft de zesde vracht geen gebruik kan worden gemaakt van de geanalyseerde gegevens (die reële betekenis missen) en moet worden teruggevallen op beredeneerde waarden.
3.6.1Voor wat betreft de eerste vijf vrachten brengt de devolutieve werking van het hoger beroep met zich dat de veehouder daarover in het hoger beroep (nog) een discussie kan voeren. De veehouder betoogt dat de minister op de eerste vijf vrachten de geanalyseerde waarden in plaats van de beredeneerde waarden had moeten toepassen en dat om die reden het besluit van 30 september 2024 moet worden vernietigd.
3.6.2Het College stelt voorop dat artikel 33a, eerste lid, van de Msw een landbouwer verbiedt in enig kalenderjaar op zijn bedrijf dierlijke meststoffen te produceren. Dat verbod geldt niet in de in artikel 33a, tweede lid, van de Msw genoemde uitzonderingsgevallen. De bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) dat zo’n uitzondering zich voordoet, rust op de veehouder. Het standpunt van de veehouder komt er op neer dat met de afvoer van de vijf vrachten dikke koek na mestscheiding zich zo’n uitzondering voordoet, mits de minister daarbij uitgaat van de analyse van het fosfaatgehalte van die koek.
3.6.3Artikel 68 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet geeft de manier voor het bepalen van hoeveelheden meststoffen. Het gewicht of het volume van de aan- en afgevoerde en de vervoerde hoeveelheid mest en, voor zover van belang, het fosfaatgehalte van die mest is maatgevend (eerste lid). De in enig kalenderjaar per saldo uit opslag gekomen hoeveelheid dierlijke mest wordt bepaald door de aan het eind van het voorgaande kalenderjaar op het bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke mest te verminderen met de aan het eind van desbetreffend kalenderjaar op het bedrijf opgeslagen hoeveelheid dierlijke mest (tweede lid). De opgeslagen hoeveelheid dierlijke mest wordt bepaald op basis van het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde gewicht van de dierlijke meststoffen en het zo nauwkeurig mogelijk bepaalde, voor zover van belang, fosfaatgehalte van die mest (derde lid).
3.6.4De veehouder heeft varkensmest laten scheiden. Het doel van die scheiding is om de mest op te delen in drijfmest en dikke koek. Bij dit proces gaat geen fosfaat verloren, er blijft (zij het anders verdeeld over drijfmest en de dikke koek) in totaal net zo veel fosfaat over als er is ingegaan. De drijfmest wordt gebruikt om als mest over het land uit te rijden en moet (om die reden) zo weinig mogelijk fosfaat bevatten. Bij de scheiding wordt het fosfaat zo veel mogelijk in de dikke koek gecentrifugeerd.
3.6.5De vijf vrachten zijn gewogen en bemonsterd en het fosfaatgehalte van die monsters is geanalyseerd. Die analyses variëren van 19,11 tot 20,63 kg/ton. In totaal heeft de veehouder met deze vijf vrachten 185,43 ton dikke koek afgevoerd, en daarmee in totaal 3780 kg fosfaat. Met de zesde vracht is nog eens 29,7 ton dikke koek afgevoerd, in totaal dus ruim 215 ton en dus (uitgaande van de analyses) 4.793 kg fosfaat. Het ging om in totaal 1.222 ton mest die is gescheiden met een, volgens de door de veehouder zelf aangeleverde gegevens, fosfaatgehalte van 3,16 kg/ton en dus in totaal 3.861 kg fosfaat. Dat betekent dat met de dikke koek 932 kg meer fosfaat zou zijn afgevoerd dan in de te scheiden mest aanwezig was. Daarbij is nog voorbij gezien aan het ondanks de scheiding in de drijfmest achtergebleven fosfaat. Dat is, daar zijn partijen het over eens, onmogelijk.
3.6.6De veehouder heeft hiervoor als verklaring gegeven dat de uit de mestkelder voor scheiding gehaalde mest een hoger fosfaatgehalte moet hebben gehad (dan het voor de totaal opgeslagen mest geldende gehalte van 3,16 kg/ton). Het valt inderdaad niet uit te sluiten dat de voor de scheiding gebruikte mest een afwijkend fosfaatgehalte had. Die mest heeft de veehouder echter niet bemonsterd en het fosfaatgehalte is dus niet bepaald. Achteraf is dat fosfaatgehalte niet meer vast te stellen. Zoals gezegd rust op de veehouder de bewijslast dat aan de uitzondering van artikel 33a, tweede lid, van de Msw is voldaan. In dat verband moet worden bedacht dat de mestscheiding op initiatief van de veehouder en onder zijn uitsluitende regie en buiten het zicht van de minister plaats vindt. Het bewijs dat de veehouder aanvoert, de analyses van de afgevoerde vrachten dikke koek, is onvoldoende betrouwbaar, omdat geen aansluiting kan worden verkregen met het fosfaatgehalte van de voor de scheiding gebruikte mest. Het daarover best beschikbare gegeven is het door de veehouder zelf opgegeven fosfaatgehalte van de bij hem opgeslagen mest. Dat fosfaatgehalte maakt echter duidelijk dat de analyses van de afgevoerde vrachten daarmee niet in overeenstemming zijn te brengen.
3.6.7Al met al is het College het met de minister eens dat onder die omstandigheden ook niet van de geanalyseerde fosfaatgehalten van de eerste vijf vrachten kan worden uitgegaan en dat moet worden teruggevallen op vanuit het gemiddelde fosfaatgehalte van de opgeslagen mest beredeneerde waarden. Tegen de (hoogte van de) beredeneerde waarden heeft de veehouder geen gronden aangevoerd. Daarmee is het beroep tegen het besluit van 30 september 2024 ongegrond.