ECLI:NL:CBB:2025:636

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
24/442
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bedrijfsblokkade en schadevergoeding in verband met diervoederverontreiniging

In deze uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 2 december 2025, zaaknummer 24/442, is het beroep van een maatschap gegrond verklaard. De maatschap had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, dat hen verbood om dieren en diervoeders af te voeren vanwege een vermoeden van verontreiniging met de schadelijke stof coumatetralyl. De minister had op 13 oktober 2023 een bedrijfsblokkade opgelegd, maar het College oordeelde dat de minister dit besluit onvoldoende had onderbouwd. De minister had niet aangetoond dat de dieren van de maatschap in aanraking waren gekomen met de schadelijke stof, waardoor de bedrijfsblokkade onrechtmatig was. De maatschap verzocht om schadevergoeding voor de vernietigde melk en de kosten die voortvloeiden uit de blokkade. Het College oordeelde dat de maatschap recht had op schadevergoeding van € 14.873,46, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 13 oktober 2023. De uitspraak benadrukt de noodzaak voor bestuursorganen om besluiten goed te onderbouwen, vooral wanneer deze ingrijpende gevolgen hebben voor betrokken partijen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/442

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] (maatschap)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom)

Procesverloop

Met het besluit van 13 oktober 2023 (bedrijfsblokkade) heeft de minister de maatschap verboden om dieren, dierlijke (bij)producten en verontreinigd diervoeder af te voeren, in de handel te brengen en buiten Nederland te brengen.
Met het besluit van 19 oktober 2023 heeft de minister dat verbod opgeheven voor de afvoer van melk en met het besluit van 23 oktober 2023 heeft de minister het verbod volledig opgeheven.
Met het besluit van 15 maart 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen de bedrijfsblokkade ongegrond verklaard.
De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek gedaan om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft partijen om informatie verzocht. De minister heeft aanvullend verweer gevoerd en partijen hebben nadere stukken ingediend.
De zitting was op 3 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] namens de maatschap en de gemachtigde van de minister, bijgestaan door [naam 3] .
De minister heeft zijn verzoek tot de toepassing van artikel 8:29 van de Awb op de zitting ingetrokken.

Overwegingen

Wettelijk kader
1 Het toepasselijke wettelijk kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2.1
In augustus van 2023 zijn in de lever van een kalf sporen coumatetralyl aangetroffen boven de Maximum Residu Limiet (MRL) van 0,01 mg/kg. Coumatetralyl is de werkzame stof in Racumin Foam, een bestrijdingsmiddel voor de bestrijding van huismuizen. Dit bestrijdingsmiddel was door [naam 4] (plaagdierbestrijder) toegepast bij de veehouderij waar het kalf werd gehouden. Het aantreffen van sporen van coumatetralyl in de lever van een kalf duidt erop dat het bestrijdingsmiddel is toegepast in strijd met de gebruiksvoorschriften.
2.2
De plaagdierbestrijder had het bestrijdingsmiddel ook bij 79 andere bedrijven toegepast. De administratie van de plaagdierbestrijder bleek niet goed op orde waardoor het administratief onderzoek veel tijd heeft gekost (van augustus tot medio oktober 2023) en ook toen was niet duidelijk hoe het bestrijdingsmiddel bij de 79 andere bedrijven was toegepast en hoeveel bestrijdingsmiddel daarbij was gebruikt. De minister heeft vervolgens uit voorzorg 50 veehouderijen, waaronder de maatschap, stilgelegd met een bedrijfsblokkade.
2.3
De maatschap exploiteert een melkveehouderij en akkerbouwbedrijf. De minister heeft de bedrijfsblokkade aan de maatschap opgelegd, omdat de plaagdierbestrijder het bestrijdingsmiddel op haar bedrijf had toegepast. De bedrijfsblokkade stond eraan in de weg om het melkvee, de geproduceerde melk of diervoeders van het bedrijf af te voeren.
2.4
De minister heeft de bedrijfsblokkade opgeheven nadat uit onderzoek van een toezichthouder bleek dat de dieren of diervoeder niet in aanraking waren geweest met het bestrijdingsmiddel. De maatschap vindt dat de minister de bedrijfsblokkade ten onrechte heeft opgelegd en verzoekt daarom om een vergoeding van de daardoor ontstane schade.
De rechtmatigheid van de bedrijfsblokkade
3 De maatschap vindt dat in haar geval onvoldoende aanwijzingen bestonden voor de bedrijfsblokkade. Na de constatering van het verkeerde gebruik van het bestrijdingsmiddel in augustus van 2023 heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld. Op 13 oktober 2023 is de maatschap zonder voorafgaand bedrijfsbezoek telefonisch op de hoogte gebracht van de bedrijfsblokkade. Pas op 14 oktober 2023 bezocht de toezichthouder het bedrijf. Als dat op 13 oktober 2023 was gebeurd, dan was meteen duidelijk geworden dat een bedrijfsblokkade niet nodig was, omdat het bestrijdingsmiddel in de aardappelloods van de maatschap is toegepast en niet bij het melkvee.
4 De minister stelt zich op het standpunt dat de bedrijfsblokkade passend, noodzakelijk en rechtmatig is. De bedrijfsblokkade is uit voorzorg opgelegd, omdat er een risico voor de voedselveiligheid en de volksgezondheid was in verband met het vermoeden van coumatetralyl in dieren of dierlijke producten van de maatschap. Nader onderzoek ter plaatse was nodig om blootstelling van dieren van de maatschap aan het bestrijdingsmiddel uit te sluiten. De minister heeft de bedrijfsblokkade meteen opgeheven toen na onderzoek van de toezichthouder bleek dat het bestrijdingsmiddel juist was toegepast.
Beoordeling door het College
5.1
Naar het oordeel van het College heeft de minister het vermoeden dat vee van de maatschap in aanraking kon zijn gekomen met het bestrijdingsmiddel onvoldoende onderbouwd. Het College is als volgt tot dat oordeel gekomen.
5.2
Artikel 5.10, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 5.11, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wet dieren verzetten zich er niet tegen dat de minister in gegevens uit de administratie van een bedrijf aanleiding vindt tot het opleggen van maatregelen. In artikel 5.10 van de Wet dieren is de bevoegdheid toegekend aan de minister om maatregelen te treffen met betrekking tot dieren en van die dieren afkomstige dierlijke producten die, voor zover hier van belang, een schadelijke stof hebben opgenomen of waarvan wordt vermoed dat zij deze hebben opgenomen. In artikel 5.11 van de Wet dieren is een zelfde soort bevoegdheid toegekend met betrekking tot diervoeders. De wetgever heeft in dit verband uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid dat gegevens uit een administratie aanknopingspunten kunnen opleveren om maatregelen te treffen (zie Kamerstukken II, 2007-2008, 31389, nr. 3, blz. 29 tot en met 31).
5.3
In het aanvullend verweerschrift heeft de minister het vermoeden dat dieren van de maatschap in aanraking konden zijn gekomen met coumatetralyl nader onderbouwd met de volgende informatie uit het logboek van de plaagdierbestrijder (logboek) voor het bedrijf van de maatschap:
“24-05-2023 […] Wel foam aangebracht in de wanden waar nodig was. […]”
De toepasser had in strijd met de toepassingsvoorschriften niet vermeld waar hij het bestrijdingsmiddel had toegepast en dus niet dat het om een aardappelloods ging en dat de toepassing niet (direct) bij het melkvee had plaatsgevonden. De zelfde toepasser heeft het middel ook bij diverse andere bedrijven toegepast, zonder de plaats van toepassing en de hoeveelheid te registreren. Dit rechtvaardigt volgens de minister het vermoeden dat vee van de maatschap in aanraking was gekomen met coumatetralyl.
5.4
Naar het oordeel van het College was die informatie onvoldoende voor dat vermoeden. Daarvoor is van belang dat, naar de minister uit zijn eigen gegevens kon weten, de maatschap naast een stal voor melkvee ook een (afzonderlijke) loods heeft voor de akkerbouwtak. Uit zijn logboek volgt dat de plaagdierbestrijder in 2022 het bestrijdingsmiddel onderin en onder de koelcellen en in luchtkanalen had gebruikt. Omdat melkvee niet verblijft in een ruimte met koelcellen en luchtkanalen, vormt dit (dus) geen aanwijzing voor gebruik van het middel in de melkveestal. Bij het melkvee zijn volgens het logboek alleen insectenbestrijdingsmiddelen toegepast en daarin komt geen coumatetralyl voor. De toepassing op 24 mei 2023 in de wanden van een bedrijfsgebouw was in samenhang bezien met de eerdere toepassingen en de inhoud van het logboek dan ook onvoldoende concreet voor het vermoeden dat daarmee ook sprake was van een toepassing in de nabijheid van het vee. Weliswaar gaf de onder 2.2 geschetste situatie de minister begrijpelijkerwijs aanleiding tot zorgen met oog op de volksgezondheid en voedselveiligheid, maar dat is zonder concrete gegevens die het vermoeden onderbouwen dat coumatetralyl in de nabijheid van melkvee was gebruikt onvoldoende voor het opleggen van de bedrijfsblokkade.
5.5
Omdat de minister het vermoeden als bedoeld in de artikel 5.10 en de verontreiniging als bedoeld in artikel 5.11 van de Wet dieren onvoldoende heeft onderbouwd, zijn de bedrijfsblokkade en het bestreden besluit onrechtmatig.
Het schadeverzoek
6 De maatschap heeft verzocht om vergoeding van de schade die door de bedrijfsblokkade is ontstaan, namelijk 34.326 kg vernietigde melk (melkderving, € 14.186,94), de kosten voor het afvoeren van de melk in de mestkelder (afvoerkosten, € 686,52) en vergoeding van de uren die hij heeft gemaakt voor de behandeling van het dossier (dossierkosten, € 5.463,48), te vermeerderen met de wettelijke rente. De minister vindt de schadeposten onvoldoende onderbouwd.
Beoordeling door het College
7.1
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
7.2
De maatschap heeft toegelicht dat zij de geproduceerde melk iedere drie dagen laat ophalen, dat het ophaalmoment op 10 oktober 2023 (voor de bedrijfsblokkade) eerder was en dat daardoor het volume op 13 oktober 2023 hoger was (34.326 kg) dan gebruikelijk. De maatschap heeft dat onderbouwd met een factuur van FrieslandCampina. Gezien deze toelichting en een melkprijs van € 41,33/100 kg is de schadevergoeding van € 14.186,94 voor melkderving toewijsbaar.
7.3
Dat de afvoerkosten het gevolg zijn van de bedrijfsblokkade heeft de minister niet bestreden. Voor zover de minister vindt dat die kosten onvoldoende onderbouwd zijn, volgt het College dat niet. De afvoer van mest tegen een tarief van € 20,- per m3 in 2023 is gangbaar. De minister moet die kosten van € 686,52 daarom ook vergoeden.
7.4
De dossierkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De maatschap heeft de gemaakte uren niet onderbouwd. Voor zover de dossierkosten als een verzoek om een proceskostenvergoeding moeten worden aangemerkt, wordt dat afgewezen. Het zijn namelijk geen kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten.
Conclusie
8 Het College verklaart het beroep gegrond en zal het bestreden besluit vernietigen. Het College zal de bedrijfsblokkade daarnaast herroepen, omdat de minister heeft vastgesteld dat vee van de maatschap niet in aanraking is gekomen met het bestrijdingsmiddel.
9 Het College wijst het verzoek om schadevergoeding toe tot € 14.873,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2023 tot de datum van betaling.
10 Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept de bedrijfsblokkade van 13 oktober 2023;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de maatschap te vergoeden;
- veroordeelt de minister tot het betalen van een schadevergoeding aan de maatschap van € 14.873,46, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2023 tot de datum van uitbetaling;
- wijst af dat wat meer of anders aan schadevergoeding is gevorderd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, mr. S.C. Stuldreher en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.
w.g. R.C. Stam w.g. M. Ettema

Bijlage

Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad
Artikel 1, aanhef en onder b,
1. Zodra een product als bedoeld in bijlage I in de handel wordt gebracht als levensmiddel of diervoeder, of aan dieren wordt vervoederd, mag het gehalte aan bestrijdingsmiddelenresiduen niet meer bedragen dan:
b) 0,01 mg/kg voor producten waarvoor in bijlage II of III geen specifiek MRL is vastgesteld, of voor niet in bijlage IV opgenomen werkzame stoffen, tenzij er voor een werkzame stof andere standaardwaarden zijn vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 2, bedoelde procedure en rekening houdend met de beschikbare, gebruikelijke analysemethoden. Die standaardwaarden worden vermeld in bijlage V. Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze verordening beogen te wijzigen, worden vastgesteld volgens de in artikel 45, lid 4, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Om dwingende urgente redenen kan de Commissie gebruik maken van de in artikel 45, lid 5, bedoelde urgentieprocedure om
een hoog niveau van consumentenbescherming te waarborgen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 7:12, eerste lid,
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, en het tweede lid
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
[…]
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Artikel 83, aanhef en onder b,
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:
b. wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad of strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen;
Artikel 119, eerste lid
De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.
Wet dieren
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
[…]
diervoeder:elke stof, elk product of elke samenstelling van stoffen of producten die bestemd is om te worden gebruikt voor voedering aan dieren, onverminderd de toepassing van een andersluidende definitie in een EU-verordening;
[…]
Artikel 2.17 Veiligheid en deugdelijkheid diervoerders
1. Het is verboden in strijd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor de uitvoering van een EU-richtlijn vastgesteld voorschrift, een handeling te verrichten die ertoe strekt diervoeders te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verpakken, te etiketteren, in de handel te brengen, in of buiten Nederland te brengen, te vervoeren of aan te bieden, aan te prijzen, af te leveren, te ontvangen, voorhanden of in voorraad te hebben:
a. die niet zuiver, deugdelijk, of van gebruikelijke handelskwaliteit zijn;
b. die een gevaar opleveren voor de gezondheid van mens of dier of voor het milieu, indien niet correct gebruikt, of
c. die de dierlijke productie ongunstig kunnen beïnvloeden.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op andere stoffen of producten die bestemd zijn voor het voederen van dieren.
Artikel 5.10 Dieren en producten, eerste lid, aanhef en onder c, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, aanhef en onder d en e,
1. Onze Minister kan maatregelen treffen met betrekking tot:
c. dieren, al dan niet gehouden, die via voedering, drenking, inademing of een andere vorm van blootstelling een schadelijke stof hebben opgenomen, of waarvan wordt vermoed dat zij deze hebben opgenomen, of die het gevaar lopen de stof op te nemen, alsook met betrekking tot de van die dieren afkomstige dierlijke producten.
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot dieren zijn:
d. een verbod op het van een bedrijf afvoeren, het in de handel brengen, of op het in of buiten Nederland brengen;
3. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, met betrekking tot dierlijke producten zijn:
d. een verbod op het van een bedrijf afvoeren of het in de handel brengen;
e. een verbod op het in of het buiten Nederland brengen;
Artikel 5.11, Diervoeders en gemedicineerde diervoeders, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a,
1. Onze Minister kan maatregelen treffen met betrekking tot:
a. diervoeders ten aanzien waarvan niet is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens deze wet of ten aanzien waarvan dit wordt vermoed, en
2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden:
a. een verbod op het vervoeren, het bewerken of het verwerken en het in de handel brengen;
Regeling diervoeders 2012
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c,
1. Het is eenieder verboden met diervoeders als bedoeld in artikel 3, onder 4, van
verordening (EG) nr. 178/2002 een handeling als bedoeld in artikel 2.18, tweede
lid, onderdeel a, van de wet, waaronder handelingen als bedoeld in artikel 2.17
van de wet, te verrichten, indien dat diervoeder:
c. niet voldoet aan de artikelen 18, eerste lid, 19 en 20 van verordening (EG) nr.
396/2005;