ECLI:NL:CBB:2025:667

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
24/764
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van TEK-subsidie voor energie-intensieve onderneming door de minister van Economische Zaken

In deze uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 16 december 2025, werd de aanvraag van Gauchos Nederland B.V. voor subsidie op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen door de minister van Economische Zaken. De onderneming had een aanvraag ingediend op 28 september 2023, maar de minister verklaarde deze ongegrond op basis van een berekening van het energie-intensiteitspercentage, dat uitkwam op 6,55%, terwijl minimaal 7% vereist was. De onderneming betwistte de berekening, omdat de minister bij het vaststellen van de energie-intensiteit de omzet van twee bedrijven in de groep had meegeteld, maar hun energieverbruik niet. Dit leidde tot een onevenwichtigheid in de berekening, wat volgens de onderneming in strijd was met verschillende beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel.

Het College oordeelde dat de minister de aanvraag ten onrechte had afgewezen. De berekening van de energie-intensiteit op groepsniveau, waarbij niet het volledige energieverbruik werd meegenomen, leidde tot een onredelijke uitkomst. Het College vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op om binnen 12 weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een evenwichtige en zorgvuldige toepassing van de regels bij het toekennen van subsidies, vooral in situaties waarin de omstandigheden van de betrokken ondernemingen variëren.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/764

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2025 in de zaak tussen

Gauchos Nederland B.V., te Bussum (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken

(gemachtigde: mr. Y. Groen)

Procesverloop

Met het besluit van 26 oktober 2023 (het afwijzingsbesluit) heeft de minister de aanvraag van de onderneming voor subsidie op grond van de Regeling tegemoetkoming energiekosten (TEK) afgewezen.
Met het besluit van 22 augustus 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.
De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De onderneming heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 29 oktober 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam] namens de onderneming, en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Dit geschil gaat over een subsidie op grond van de TEK. De TEK is in het leven geroepen in verband met de sterk gestegen energieprijzen die het gevolg waren van de oorlog in Oekraïne. Met de TEK nam de overheid tijdelijk een deel van de gestegen energiekosten over van ondernemingen uit het midden- en kleinbedrijf (mkb) waarbij de energiekosten een relatief groot deel uitmaken van de totale kosten. Dit zijn de zogenoemde energie-intensieve bedrijven. De TEK gold voor de periode van 14 maanden (1 november 2022 tot 31 december 2023).
1.2
Op 28 september 2023 heeft de onderneming TEK-subsidie aangevraagd. Omdat de onderneming tot een groep van tien bedrijven behoort, heeft de minister deze aanvraag als een aanvraag van de groep beschouwd. De aanvraag is door de minister afgewezen. De TEK is bedoeld voor ondernemingen en groepen ondernemingen met een energie-intensiteitspercentage van minimaal zeven. De minister heeft de energie-intensiteit van de groep waar de onderneming toe behoort, berekend. Dit komt uit op 6,55%, waardoor de groep volgens de minister niet tot de doelgroep van de TEK behoort.
Wettelijk kader
2 Het toepasselijke wettelijk kader is in een bijlage bij deze uitspraak opgenomen. Deze bijlage maakt onderdeel uit van de uitspraak.
Standpunten van partijen
3.1
De onderneming meent dat de minister haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Volgens de onderneming heeft de minister het energie-intensiteitspercentage in haar geval onjuist berekend. Dit komt omdat de minister bij de berekening van de energie-intensiteit van de groep het energieverbruik van twee bedrijven uit de groep niet heeft meegeteld, maar de omzet van deze twee bedrijven wel heeft meegeteld. Omdat de energie-intensiteit de uitkomst is van de som van de leveringskosten van gas en elektriciteit van de groep afgezet tegen de jaaromzet van de groep, komt de minister uit op een lager energie-intensiteitspercentage dan de (benodigde) 7%. Het energieverbruik van de twee bedrijven is uitgesloten, omdat die bedrijven niet beschikken over een eigen zakelijk energieleveringscontract (tussenmeter). Ook van twee andere bedrijven uit de groep is het energieverbruik uitgesloten: die bedrijven beschikken alleen over een privé-aansluiting en voldoen dus ook niet aan de eis van het eigen zakelijk energieleveringscontract. Ook van deze twee bedrijven is de omzet wel meegeteld. Die omzet was echter dusdanig laag dat de invloed daarvan op het energie-intensiteitspercentage van de groep verwaarloosbaar is. Dat geldt niet voor de omzet van de twee bedrijven met een tussenmeter. Volgens de onderneming is daarbij sprake van inconsistentie in de berekening die in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het doelmatigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. In het kort meent de onderneming dat de minister in dit geval de omzet van de twee ondernemingen met een tussenmeter niet had moeten meetellen bij de groepsomzet, of dat de minister het energieverbruik van deze twee bedrijven had moeten corrigeren met bijvoorbeeld branchegemiddelden.
3.2
De minister meent dat het bestreden besluit op goede gronden is genomen. Met de TEK is bewust de beleidsmatige keuze gemaakt om de energie-intensiteit van een groep te berekenen op het niveau van de groep. Om die reden moeten de gegevens van de verbonden bedrijven bij elkaar worden opgeteld. Voorts komen op grond van de TEK alleen energiekosten voor subsidie in aanmerking die voortkomen uit een zakelijk energieleveringscontract dat op naam staat van de betreffende onderneming. Bij de berekening van de energie-intensiteit mag de minister dus alleen deze energiekosten meenemen. Het is niet in geschil dat de twee bedrijven uit de groep waarvan de energiekosten zijn uitgesloten, geen eigen zakelijk energieleveringscontract hadden. Volgens de minister zijn er geen bijzondere omstandigheden die maken dat het besluit in de gegeven omstandigheden onredelijk bezwarend is voor de groep.
Beoordeling door het College
4.1
Aan de orde is de vraag of de minister de subsidieaanvraag van de onderneming terecht heeft afgewezen. Het College beantwoordt deze vraag ontkennend. Hieronder legt het College uit waarom.
4.2
Om in aanmerking te komen voor een subsidie op grond van de TEK moet een onderneming voldoen aan een aantal vereisten. Een daarvan houdt in dat de TEK-subsidie alleen kan worden toegekend aan energie-intensieve mkb-ondernemingen. Artikel 2 van de TEK bepaalt dat de minister op aanvraag subsidie verleent aan een onderneming die een energie-intensiteit heeft van ten minste 7 procent. Als de onderneming deel uitmaakt van een groep (zoals hier het geval) wordt de energie-intensiteit op groepsniveau berekend en niet per verbonden mkb-onderneming (artikel 2, tweede lid, onder c). Artikel 4 van de TEK bepaalt dat de energie-intensiteit van een mkb-onderneming wordt verkregen door ‘de som van de leveringskosten voor elektriciteit en gas, bedoeld in het tweede en derde lid, te delen door de behaalde jaaromzet 2022.’
4.3
In de teller van deze berekening zijn dus de opgetelde leveringskosten voor elektriciteit en gas van de verschillende verbonden ondernemingen binnen de groep opgenomen. In de noemer is de behaalde jaaromzet van de groep over 2022 zoals die door de onderneming is aangeleverd, opgenomen. Omdat artikel 7, eerste lid, van de TEK bepaalt dat de kosten voor de levering van elektriciteit en gas in aanmerking komen voor subsidie als zij voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, heeft de minister in de teller alleen die leveringskosten meegenomen die uit een dergelijk contract voortkomen. Niet in geschil is dat bij twee bedrijven uit de groep slechts ten dele sprake is van een zakelijk energieleveringscontract: een bedrijf beschikt alleen over een dergelijk contract voor gas (en dus niet voor elektriciteit) en een ander bedrijf heeft juist wel voor elektriciteit een zakelijk contract, maar niet voor gas. Het energieverbruik dat niet voortkomt uit een zakelijk energieleveringscontract wordt via een tussenmeter bij de betreffende onderneming in rekening gebracht. Dit verbruik is door de minister in de energie-intensiteitsberekening dus buiten beschouwing gelaten. De noemer is hier niet voor gecorrigeerd (de omzetten van de beide ondernemingen zijn volledig meegeteld).
4.4
De onderneming betoogt dat hierdoor een niet te rechtvaardigen onevenwichtigheid ontstaat. De onderneming heeft in dat verband op strijd met meerdere beginselen gewezen, maar doet vooral een beroep op de combinatie van die beginselen. Het College vat dit standpunt van de onderneming primair op als een beroep op het evenredigheidsbeginsel en zal het bestreden besluit daarom vanuit dat toetsingskader beoordelen.
4.5
Als een aanvraag niet aan de vereisten van de TEK voldoet, moet de minister deze afwijzen (artikel 8, aanhef en onder a, van de TEK). Dit is een gebonden bevoegdheid. In zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:190) heeft het College uitgelegd hoe de toetsing moet plaatsvinden van een gebonden besluit (zoals hier: de afwijzing) dat berust op een algemeen verbindend voorschrift (zoals hier: de TEK) aan het evenredigheidsbeginsel. Deze toetsing kan plaatsvinden op twee niveaus. De rechter kan de rechtmatigheid van het wettelijk voorschrift (in dit geval het vereiste van een zakelijke energieleveringsovereenkomst of de wijze van berekening van energie-intensiteit) als zodanig toetsen. Dit wordt exceptieve toetsing genoemd. Daarnaast kan de rechter beoordelen of het wettelijk voorschrift, dat rechtmatig is bevonden, toch geen toepassing kan vinden in het voorliggende geval. Dit wordt rechtstreekse toetsing genoemd. Als een beroep op het evenredigheidsbeginsel wordt gedaan, is het aan de rechter om te bepalen of dit strekt tot exceptieve toetsing, rechtstreekse toetsing, of beide. Het College heeft op de zitting vastgesteld dat het beroep van de onderneming ziet op de toepassing van het wettelijk voorschrift in het specifieke geval van de onderneming. Om die reden zal het College volstaan met een rechtstreekse toetsing.
4.6
Bij die toetsing gaat het alleen (nog) over de evenwichtigheid “onder de streep” van het besluit. Een besluit is onevenwichtig als het in de gegeven omstandigheden voor een of meer belanghebbenden onredelijk bezwarend is. Met de onderneming is het College van oordeel dat dit hier het geval is. De TEK schrijft voor dat de energie-intensiteit op groepsniveau moet worden berekend. Door bij de berekening van de energie-intensiteit wel de gehele omzet van de groep, maar niet het gehele energieverbruik van de groep mee te nemen, ontstaat in deze specifieke omstandigheden een onevenwichtigheid die gecorrigeerd had moeten worden. Op de zitting is vastgesteld dat het niet mogelijk is om deze onevenwichtigheid op te heffen door de groepsomzet naar rato te corrigeren voor het uitgesloten energieverbruik. Evenmin is het op grond van de TEK mogelijk om het uitgesloten energieverbruik op een andere wijze aan te vullen, bijvoorbeeld met branchegegevens. Dit zou zich niet verdragen met artikel 7, eerste lid, van de TEK dat de eis van een zakelijk energieleveringscontract stelt. Dit betekent dat een redelijke uitkomst in dit geval alleen kan worden bereikt door, zoals de onderneming voorstelt, de beide bedrijven zowel bij het energieverbruik als bij de omzetberekening buiten de groep te laten vallen. Hetzelfde geldt dan voor de twee bedrijven in de groep die privéaansluitingen hebben: ook die moeten zowel bij het energieverbruik als bij de omzetberekening buiten de groep worden gelaten.
4.7
De beroepsgrond slaagt.
Slotsom
5 Het beroep is gegrond. Het College zal het besluit vernietigen en de minister opdragen om binnen 12 weken na deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen 12 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan de onderneming te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. de Kruif, in aanwezigheid van S.C. Lenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
w.g. C. de Kruif w.g. S.C. Lenders

Bijlage

Regeling tegemoetkoming energiekosten
Artikel 2, eerste en tweede lid, onder c
1. De Minister verstrekt op aanvraag eenmalig subsidie aan een mkb-onderneming of een groep, die een energie-intensiteit heeft van ten minste 7 procent, als tegemoetkoming in de energiekosten vanwege de sterk gestegen leveringsprijzen voor elektriciteit en gas door de oorlog in Oekraïne.
2. Indien er sprake is van een groep:
[…]
c. wordt de energie-intensiteit, bedoeld in het eerste lid, per groep berekend en niet per verbonden mkb-onderneming;
[…]
Artikel 4
Artikel 4. Energie-intensiteit
1. De energie-intensiteit van een mkb-onderneming wordt verkregen door de som van de leveringskosten voor elektriciteit en gas, bedoeld in het tweede en derde lid, te delen door de behaalde jaaromzet in 2022.
2. De leveringskosten voor elektriciteit worden verkregen door het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding te vermenigvuldigen met de referentieprijs 2022 voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
3. De leveringskosten voor gas worden verkregen door het vermenigvuldigen van het standaardjaarverbruik met de referentieprijs 2022 voor gas, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
Artikel 7, tweede lid
2. Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de levering van elektriciteit of gas, die voortkomen uit een zakelijke energieleveringsovereenkomst met een leverancier, en voor zover deze bestaan uit:
a. het verschil van de referentieprijs 2023 voor elektriciteit en de leveringsprijs voor elektriciteit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het verschil van de standaardjaarafname en de standaardjaarinvoeding; of
b. het verschil van de referentieprijs 2023 voor gas en de leveringsprijs voor gas, bedoeld in artikel 3, eerste lid, vermenigvuldigd met het standaardjaarverbruik.
Artikel 8, aanhef en onder a
De minister beslist afwijzend op een aanvraag, voor zover:
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels;