De onderneming heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam over een schadevergoeding wegens het opschorten van de vrijgave van een zending FFP2 mondkapjes door de minister van Volksgezondheid.
In de heropeningsbeslissing oordeelde het College dat het opschortingsbesluit onrechtmatig was vanwege een onzorgvuldig NVWA-onderzoek en dat de onderneming schade had geleden. De onderneming mocht haar schade nader onderbouwen, wat zij deed door aan te tonen dat de gemiddelde verkoopprijs van mondkapjes tussen februari en juni 2021 aanzienlijk was gedaald, en dat de markt medio 2021 verzadigd was.
De minister betwistte de hoogte van de verkoopprijsdaling en de onverkoopbaarheid, maar het College achtte de onderbouwing voldoende aannemelijk en stelde vast dat de schade minimaal € 25.000 bedroeg, het maximale bedrag dat bestuursrechtelijk kan worden toegekend.
De onderneming verzocht ook vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar het College concludeerde dat de procedure binnen vier jaar was afgerond, zodat geen vergoeding werd toegekend.
Het College vernietigde het vonnis van de rechtbank, wees het verzoek om schadevergoeding toe, veroordeelde de minister tot betaling van € 25.000 en de proceskosten van € 4.081,50, en droeg de minister op het betaalde griffierecht van € 908 te vergoeden.