ECLI:NL:CBB:2026:109

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/325
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Uitvoeringsregeling GLB 2023Art. 48 Uitvoeringsregeling GLB 2023Verordening 2021/2115Verordening 2021/2116Uitvoeringsverordening 2021/2290
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen weigering late aanmelding GLB-steun 2023 faalt wegens geen onbillijkheid van overwegende aard

De vennootschap heeft zich op 12 juli 2023 te laat aangemeld voor GLB-steun 2023, terwijl de uiterste aanmelddatum 15 juni 2023 was. De minister heeft het bezwaar tegen de weigering van deze late aanmelding ongegrond verklaard. De vennootschap stelde dat de minister coulance moest betrachten en de hardheidsclausule moest toepassen vanwege de invoering van het nieuwe GLB en de complexiteit daarvan.

De minister voerde aan dat de verlenging van de aanmelddatum tot 15 juni 2023 al voldoende coulance bood en dat het enkel mislopen van GLB-steun geen onbillijkheid van overwegende aard vormt. Het College oordeelde dat de vennootschap wist van de deadline en dat zij de aanmelding bewust uitstelde vanwege problemen met het invullen. Bovendien had zij contact kunnen opnemen met RVO voor ondersteuning.

Het College wees het beroep af omdat het niet afwijken van de aanmelddatum niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De situatie van de vennootschap verschilt van eerdere gevallen waarin de hardheidsclausule wel werd toegepast. Het ontbreken van een kortingsperiode in de Uitvoeringsregeling GLB 2023 verandert hieraan niets. Het beroep is daarmee ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de late aanmelding voor GLB-steun 2023 wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een onbillijkheid van overwegende aard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen

V.O.F. [naam] , te [vestigingsplaats] (vennootschap)

(gemachtigde: R. Scholten)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur(gemachtigden: mr. S.H.B. van der Zalm en mr. I.M.H.G. van Lankveld)

Procesverloop

Met het besluit van 25 oktober 2023 heeft de minister aan de vennootschap meegedeeld dat zij zich voor het jaar 2023 te laat heeft aangemeld voor steun op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
Met het besluit van 13 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de landbouwer daartegen ongegrond verklaard.
De vennootschap heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Met de brieven van respectievelijk 26 februari 2025 en 1 april 2025 hebben de minister en de vennootschap antwoord gegeven op een vraag van het College.
De zitting was op 2 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is voor zover hier van belang vastgelegd in Verordening 2021/2115, Verordening 2021/2116, Uitvoeringsverordening 2021/2290 en Gedelegeerde verordening 2022/1172. De nationale invulling van de GLB-verordeningen is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
1.2
In de Uitvoeringsregeling GLB 2023 zijn de regels rondom het aanvragen van
GLB-steun ten opzichte van eerdere jaren veranderd. De landbouwer moet (nu) eerst een aanmelding indienen om in aanmerking te komen voor GLB-steun voordat hij een definitieve aanvraag kan doen. De aanmelding kon vanaf 1 maart tot en met 15 juni 2023 worden ingediend in een Gecombineerde opgave. Dit staat in artikel 10, eerste en zevende lid van de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
1.3
De vennootschap heeft zich op 12 juli 2023, en daarmee te laat, aangemeld voor GLB-steun. Het beroep richt zich uitsluitend tegen de weigering van de minister om de te late aanmelding uit coulance of met toepassing van de hardheidsclausule (alsnog) te accepteren.
Standpunten partijen
2.1
De vennootschap voert aan dat de minister coulance moet betrachten bij de door haar na 15 juni 2023 ingediende aanmelding, omdat anders dan in eerdere jaren geen korting meer wordt toegepast op de aangevraagde GLB-steun als de Gecombineerde opgave na de uiterste termijn is ingediend. Bovendien had de minister met toepassing van de hardheidsclausule haar late melding (toch) moeten aanvaarden. Het enkel mislopen van GLB-steun is een onbillijkheid van overwegende aard, te meer omdat in het invoeringsjaar van het nieuwe gemeenschappelijke landbouwbeleid voor de aanvrager veel is gewijzigd, waardoor omissies niet geheel voor rekening en risico van de aanvrager behoren te komen.
2.2
De minister voert aan dat hij met de verlenging van de aanmeldtermijn tot 15 juni 2023 al voldoende coulance heeft betracht. Bovendien heeft de vennootschap niet aangegeven waarom het verlengen van de aanmeldtermijn met een maand niet voldoende is geweest. Hij accepteert late aanmeldingen alleen als het vasthouden aan de (verlengde) aanmeldtermijn zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dat geval past de minister de hardheidsclausule uit artikel 48 van Pro de Uitvoeringsregeling GLB 2023 toe. Het enkel mislopen van GLB-steun is geen onbillijkheid van overwegende aard. Dat het een invoeringsjaar betreft met veel wijzigingen voor de aanvrager, maakt dit niet anders. Van degene die in aanmerking wil komen van GLB-steun mag worden verwacht dat die op de hoogte is van de geldende wet- en regelgeving.
Beoordeling door het College
3.1
De Uitvoeringsregeling GLB 2023 is een ministeriële regeling die de nationaalrechtelijke invulling geeft aan de per 1 januari 2023 in werking getreden Europese GLB-verordeningen. De keuze voor het opknippen van het aanmeldproces in twee stappen, de daarvoor geldende termijnen en het opnemen van een hardheidsclausule zijn nationaalrechtelijke keuzes van de minister geweest.
3.2
Op grond van artikel 10, zevende lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 doet de landbouwer die in aanvraagjaar 2023 aanspraak wil maken op betalingen hiertoe in de periode van 1 maart tot en met 15 juni 2023 een aanmelding. Het stellen van die uiterste aanmelddatum dient meerdere legitieme doelen. Uitgangspunt is dus dat de landbouwer zich uiterlijk op 15 juni 2023 moet hebben aangemeld om voor GLB-steun over 2023 in aanmerking te komen. Dat heeft de vennootschap niet gedaan.
3.3
De hardheidsclausule uit artikel 48 van Pro de Uitvoeringsregeling GLB 2023 houdt, voor zover hier van belang, in dat de minister kan afwijken van de aanmeldtermijn voor zover de toepassing gelet op het doel ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
3.4
Het College is van oordeel dat het niet afwijken van de uiterste aanmelddatum in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De vennootschap wist dat zij de aanmelding uiterlijk op 15 juni 2023 moest indienen. De minister heeft bovendien een herinnering gestuurd aan de vennootschap dat de aanmelding (op 15 mei 2023) nog niet was ontvangen. Uit het op 6 juni 2023 ontvangen bericht van de minister waarin abusievelijk stond dat zij zich al had aangemeld voor de eco-regeling, mocht de vennootschap in dit geval niet afleiden dat de Gecombineerde opgave daadwerkelijk was ingediend. De vennootschap heeft namelijk verklaard dat de Gecombineerde opgave is blijven liggen totdat het te laat was, omdat zij problemen ondervond bij het invullen en indienen ervan, waardoor zij het indienen steeds heeft uitgesteld. Van de aanvrager van GLB-steun mag worden verwacht dat zij in een dergelijke situatie contact opneemt met RVO om dit te melden en om ondersteuning te vragen. Hierin verschilt de situatie van de vennootschap van de situatie die heeft geleid tot een geslaagd beroep op de hardheidsclausule in de uitspraak van 14 januari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:8). De stelling dat haar financieel belang zwaarder weegt dan het algemeen belang, heeft de vennootschap niet geconcretiseerd. Het College ziet onder deze omstandigheden geen reden voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Dat de Uitvoeringsregeling GLB 2023 geen kortingsperiode meer kent, verandert dit niet.
Slotsom
4 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.
w.g. R.C. Stam w.g. C.E.C.M. van Roosmalen