ECLI:NL:CBB:2026:116

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
24/856
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geheimhoudingsbeslissing inzake vertrouwelijke stukken in certificeringsprocedure USG Norg en Grijpskerk

De Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (NAM) heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) betreffende de certificering van USG Norg en USG Grijpskerk. De ACM heeft vertrouwelijke versies van bepaalde stukken ingediend en verzocht om beperking van kennisneming op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechter-commissaris heeft de belangen afgewogen tussen het belang van partijen om over dezelfde relevante informatie te beschikken en het belang van ACM om concurrentiegevoelige en andere vertrouwelijke gegevens te beschermen. De stukken bevatten bedrijfsvertrouwelijke informatie en marktstrategieën die openbaarmaking onevenredig kunnen schaden.

NAM stemde in met het verzoek tot geheimhouding van ACM. De rechter-commissaris oordeelde dat de beperking van kennisneming van de aangewezen stukken gerechtvaardigd is, omdat openbaarmaking tot onevenredig nadeel kan leiden en kennisneming door andere partijen niet noodzakelijk is voor een behoorlijke belangenbehartiging.

Het College verzoekt NAM binnen twee weken schriftelijk te bevestigen of zij instemt met het gebruik van de vertrouwelijke stukken als grondslag voor uitspraak, voor zover NAM deze stukken niet kent.

Uitkomst: De beperking van kennisneming van vertrouwelijke stukken in het beroep van NAM tegen ACM is gerechtvaardigd verklaard.

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/856
beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., te Den Haag (NAM)

(gemachtigde: mr. J.A.M.A. Sluysmans),
en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM)

(gemachtigden: mr. T. Sahabi en mr. L.H. Partiman).

Procesverloop

De NAM heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de ACM van 26 augustus 2024.
De ACM heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.
De NAM is in de gelegenheid gesteld te reageren op de mededeling van de ACM. De NAM heeft een schriftelijke reactie ingediend.
De ACM heeft naar aanleiding van de reactie van de NAM de mededeling aangepast.
De mededeling ziet op (delen van) de volgende stukken:
Betreffende de certificering van USG Norg (dossier Norg):
- 3 Antwoord NAM informatieverzoek Norg
- 5 Verzending stukken Norg e.a. naar EC
- 7 Kennisgeving ontwerpbesluiten Norg e.a. aan EC
- 8 Bevestiging ontvangst ontwerpbesluiten Norg e.a. EC
- 10 Advies EC t.a.v. ontwerpcertificeringsbesluiten Norg e.a.
- 13 Reactie op Check vertrouwelijkheid advies en uitstaande vragen
Betreffende de certificering van USG Grijpskerk (dossier Grijpskerk):
- 5 Beantwoording informatieverzoek NAM-Grijpskerk

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van Pro de Awb heeft het College een rechter-commissaris opgedragen deze beslissing te nemen.
2. Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een of meer andere partijen onevenredig schaden, terwijl de ACM er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft. Onder concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens vallen ook gegevens die, hoewel zelf niet als bedrijfsgegevens aan te merken, niettemin inzicht kunnen bieden in de door betrokkene(n) voorgestane (markt)strategie.
3. De ACM heeft als reden voor de beperking van de kennisneming van deze stukken verwezen naar een algemene motivering zoals opgenomen in de ‘Standaardtabel motivering vertrouwelijkheid’. Daarbij heeft de ACM aangegeven dat ten aanzien van stuk 3 van het dossier Norg en stuk 5 van het dossier Grijpskerk vertrouwelijkheid van (delen van) deze stukken aangewezen is omdat sprake is van concurrentiegevoelige informatie. Ten aanzien van de overige stukken heeft de ACM aangegeven dat vertrouwelijkheid van (delen van) deze stukken aangewezen is omdat het gegevens betreft die zien op andere taken van de ACM in het kader van toezicht, handhaving en regulering.
4. De NAM heeft in reactie op de gewijzigde mededeling van de ACM aangegeven in te kunnen stemmen met het verzoek om geheimhouding van de ACM.
5. De rechter-commissaris oordeelt dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stuk 3 van het dossier Norg en stuk 5 van het dossier Grijpskerk gerechtvaardigd is. Het betreffen stukken die ook al in de eerdere fase van de procedure – op verzoek van de NAM – als vertrouwelijk zijn aangemerkt. Deze stukken bevatten bedrijfsvertrouwelijke gegevens of gegevens waaruit (een deel van) de marktstrategie van betrokkenen zou kunnen worden afgeleid, voor zover al niet zonder meer sprake is van concurrentiegevoelige gegevens. Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat openbaarmaking van deze informatie tot een onevenredig nadeel voor de verstrekker van de gegevens zal kunnen leiden, terwijl kennisneming van deze informatie door partij(en) die er niet over beschikt/beschikken niet noodzakelijk is de belangen van deze partij(en) naar behoren te kunnen bepleiten.
6. De rechter-commissaris oordeelt verder dat beperking van de kennisneming van de stukken 5, 7, 8, 10 en 13 van dossier Norg gerechtvaardigd is. Deze stukken bevatten gegevens en informatie die zien op uitvoering van taken van de ACM die deze procedure niet betreffen
.Deze gegevens moeten vertrouwelijk blijven, omdat ze relevant zijn voor andere onderzoeken van de ACM. Het openbaar maken daarvan kan afbreuk doen aan de effectiviteit van de ACM, terwijl kennisneming van deze informatie door de partij die er niet over beschikt niet noodzakelijk is om haar belangen naar behoren te kunnen bepleiten.
7. Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Die toestemming is niet nodig voor een stuk dat een partij al kent. De NAM wordt daarom verzocht om binnen twee weken na heden schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken 3, 5, 7, 8, 10 en 13 uit het dossier Nog en stuk 5 uit het dossier Grijpskerk, voor zover zij deze stukken niet kent, uitspraak doet op het beroep.

Beslissing en vervolgstappen

De rechter-commissaris:
- beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken 3, 5, 7, 8, 10 en 13 uit het dossier Norg en stuk 5 uit het dossier Grijpskerk gerechtvaardigd is;
- verzoekt de NAM om binnen twee weken na heden schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken 3, 5, 7, 8, 10 en 13 uit het dossier Norg en stuk 5 uit het dossier Grijpskerk uitspraak doet op het beroep, voor zover zij deze stukken niet kent.
Aldus genomen door mr. mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen als griffier, op 9 maart 2026. .
w.g. M. van Duuren w.g. Y.R. Boonstra-van Herwijnen