ECLI:NL:CBB:2026:124

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
24/365
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Geheimhoudingsbeslissing
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:12 AwbArt. 5:31c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling geheimhoudingsbeslissing inzake bestuursdwang en kostenverhaal schapen

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de minister bestuursdwang toegepast door 139 schapen van appellant mee te voeren en onder te brengen bij een opslaghouder, waarna de schapen zijn verkocht. De minister heeft de kosten van bestuursdwang verhaald op appellant. De minister verzocht geheimhouding van bepaalde stukken vanwege persoonsgegevens en bedrijfsgegevens van betrokken derden, met het oog op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer en het waarborgen van toekomstige medewerking.

De rechter-commissaris heeft de belangen afgewogen tussen het belang van appellant en het College om over relevante informatie te beschikken en het belang van derden bij bescherming van hun persoonsgegevens. De rechter-commissaris oordeelde dat beperking van kennisneming van stukken B1 tot en met B3b en B7 tot en met B10 gerechtvaardigd is, omdat deze slechts een klein deel van de stukken betreffen en geen afbreuk doen aan de begrijpelijkheid. Appellant toonde begrip voor deze vertrouwelijkheid.

Voor stuk B4, een factuur voor transportkosten, werd de beperking van kennisneming afgewezen omdat het in de bodemprocedure in geschil is wie het transport heeft verzorgd. Het onthouden van deze informatie zou appellant in zijn verdediging belemmeren. De minister moet een nieuwe versie van dit stuk zonder vertrouwelijke gegevens aanleveren. Appellant wordt verzocht uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 aan te geven of hij instemt met het gebruik van de vertrouwelijke stukken voor de uitspraak.

Uitkomst: Beperking van kennisneming van stukken met persoonsgegevens is gerechtvaardigd, behalve voor de transportfactuur die aan appellant moet worden verstrekt.

Uitspraak

beslissing

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 24/365
beslissing van de rechter-commissaris op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam 1] te [woonplaats] (appellant)

(gemachtigde: mr. C. Karlas)
en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. W.J.C. Goorden)
met als derde partij
Stichting Dierenambulance [naam 2] ,te [vestigingsplaats] (Stichting)
(gemachtigde: mr. C.M. van de Ven)

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 1 maart 2024. Het beroep heeft op grond van artikel 5:31c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op de kostenbeschikking van 14 juni 2024.
De minister heeft de vertrouwelijke versie van een aantal gedingstukken ingezonden en met verwijzing naar artikel 8:29 van Pro de Awb medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van deze stukken.
Het betreft (delen van) de volgende stukken:
Bijlagen bij de kostenbeschikking van 14 juni 2024:
B1. Een factuur van 2 februari 2023 voor kosten van opvang;
B2. Een factuur van 7 maart 2023 voor kosten van opvang;
B3. Een factuur van 31 maart 2023 met dierenartskosten, met als bijlagen daarbij
a. een factuur van 7 maart 2023;
b. een factuur van 6 februari 2023;
B4. Een factuur van 17 januari 2023 voor kosten van transport;
B7. Een factuur van 6 februari 2023 voor de taxatie;
B8. Het taxatierapport;
Bijlagen bij het verweerschrift:
B9. Bezoekrapport van 16 januari 2023 met intake werkdocument;
B10. Bezoekrapport van 17 januari 2023 met intake werkdocument.
Appellant en de Stichting hebben een schriftelijke reactie gegeven.
Overwegingen
1. In deze zaak heeft de minister met toepassing van bestuursdwang 139 schapen van appellant laten meevoeren en onderbrengen bij een opslaghouder. De schapen zijn daarna verkocht aan een handelaar. De minister heeft de kosten van de bestuursdwang, met aftrek van de opbrengsten van de schapen, verhaald op appellant.
2 De minister heeft verzocht dat alleen het College van de niet bewerkte versies van bovengenoemde stukken kennis zal nemen. Volgens de minister staan in deze stukken persoons- en bedrijfsgegevens van de partijen die betrokken waren bij het meevoeren, opslaan en verkopen van de schapen. De persoonlijke levenssfeer van deze partijen wordt bij kennisneming van de gegevens door derden zodanig geraakt dat hiervan moet worden afgezien. De opslaghouder en vervoerder hebben via een aanbestedingstraject een contract gesloten met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), waarbij is overeengekomen dat de gegevens van de opslaghouder en de transporteur geheim blijven. In het verleden hebben zich nare incidenten voorgedaan met bedreigingen van derden die betrokken waren bij het proces van meevoeren en opvangen van dieren. Mede daardoor is de bereidheid van deze dienstverleners om mee te werken al klein.
3 Op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist het College of de weigering dan wel beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Met toepassing van artikel 8:12 van Pro de Awb heeft het College een rechter-commissaris opgedragen deze beslissing te nemen.
4 Bij deze beslissing moet de rechter-commissaris belangen tegen elkaar afwegen. Aan de ene kant speelt hierbij het belang dat partijen beschikken over dezelfde voor het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Aan de andere kant kan kennisneming van bepaalde gegevens door de ene partij het belang van een of meer andere partijen onevenredig schaden, terwijl de minister er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie aangeleverd te krijgen die hij voor een goede uitoefening van zijn taken nodig heeft.
5 In het geval van beroepshalve functioneren, kan slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet per geval worden afgewogen in het licht van de onder 4 genoemde belangen. De rechter-commissaris oordeelt dat beperking van de kennisneming van de stukken B1 tot en met B3b en B7 tot en met 10 gerechtvaardigd is, nu deze stukken persoonsgegevens bevatten van verschillende niet bij deze procedure betrokken personen. Daarbij betrekt de rechter-commissaris dat de weggelakte gegevens steeds een klein deel betreffen van de stukken in hun geheel en geen afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van deze stukken. In zijn reactie op het verzoek heeft appellant bovendien te kennen gegeven begrip te hebben voor de onderbouwing van de minister om deze betreffende gegevens vertrouwelijk te laten. Daaruit maakt de rechter-commissaris op dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat hij geen kennis kan nemen van de vertrouwelijke gegevens in deze stukken. In dat licht ziet de rechter-commissaris geen grond voor het oordeel dat appellant in zoverre in zijn belangen wordt geschaad.
6 Dat is anders voor stuk B4. In de bodemprocedure is namelijk in geschil door wie het transport is verzorgd. Het onthouden van de gegevens van de transporteur aan appellant bemoeilijkt hem dan ook in zijn verdediging en het adequaat naar voren brengen van zijn standpunt. Wat de minister ter motivering van zijn verzoek ten aanzien van de transporteur heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechter-commissaris onvoldoende om als gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb aan te merken. De rechter-commissaris ziet namelijk niet in hoe bekendheid bij appellant van de gegevens, waaronder de bedrijfsnaam, van de transporteur ertoe zou kunnen leiden dat de bereidheid van dienstverleners om mee te werken aan het proces van meevoeren en opvangen van dieren zou afnemen. Dat zich in het verleden nare incidenten hebben voorgedaan met bedreigingen van derden die betrokken waren bij het proces van meevoeren en opvangen van dieren is onvoldoende om dat aan te nemen, nu gesteld noch is gebleken dat appellant bij die incidenten betrokken was. Het verzoek om beperking van de kennisneming wordt voor stuk B4 daarom afgewezen.
7 Het College kan alleen met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die stukken uitspraak doen. Die toestemming is niet nodig voor een stuk dat een partij al kent. De Stichting heeft al schriftelijk toestemming gegeven. Appellant wordt verzocht om uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 kenbaar te maken of hij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken B1 tot en met B3b en B7 tot en met 10 voor zover hij deze stukken niet kent, uitspraak doet op het beroep.
8 De rechter-commissaris stuurt het stuk B4 terug naar de minister. De minister is verplicht het stuk in te brengen en dient uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 een nieuwe versie van dit stuk aan het College en de andere partijen te overhandigen. Brengt de minister het stuk niet in, dan kan het College daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen.

Beslissing en vervolgstappen

De rechter-commissaris:
- beslist dat de gevraagde beperking van de kennisneming van de stukken B1 tot en met B3b en B7 tot en met B10 gerechtvaardigd is;
- verzoekt appellant om uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 aan het College kenbaar te maken of hij ermee instemt dat het College mede op grondslag van de vertrouwelijke versie van de stukken B1 tot en met B3b en B7 tot en met B10 uitspraak doet op het beroep, voor zover hij deze stukken niet kent;
- beslist dat beperking van de kennisneming van het stuk B4 niet gerechtvaardigd is;
- bepaalt dat het stuk B4 worden teruggezonden aan de minister;
- verzoekt de minister uiterlijk op de zitting van 25 maart 2026 een nieuwe versie van stuk B4 aan het College en de andere partijen te overhandigen.
Aldus genomen door mr. M. Schoneveld, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blankenstein als griffier, op 19 maart 2026.
w.g. M. Schoneveld w.g. C.A. Blankenstein