Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:191

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
24/595
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 5:48 AwbArt. 10 lid 1 onder c Tabaks- en rookwarenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep minister tegen boetebesluit wegens onjuiste adresvermelding in inspectierapport

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport legde een bestuurlijke boete op aan een onderneming wegens overtreding van het rookverbod in een werkruimte, gebaseerd op een inspectierapport van de NVWA. In het rapport stond onterecht een verkeerd adres vermeld waar de inspectie zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank oordeelde dat dit een zorgvuldigheidsgebrek vormde en paste artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe, waardoor de minister het griffierecht moest vergoeden en werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat het zorgvuldigheidsgebrek niet aanwezig was omdat het bestreden besluit de onjuiste adresvermelding corrigeerde en de onderneming in de bezwaarprocedure de gelegenheid had gehad te reageren. Het College stelde vast dat de rechtbank ten onrechte het boetebesluit had beoordeeld in plaats van het bestreden besluit en dat het vermeende gebrek met het bestreden besluit was hersteld.

Het College vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin de minister werd veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en betaling van proceskosten, en bevestigde de rest van de uitspraak. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 6 mei 2026 door mr. H.S.J. Albers.

Uitkomst: Het College vernietigt het deel van de uitspraak dat de minister het griffierecht en proceskosten moet vergoeden wegens een zorgvuldigheidsgebrek, en bevestigt de rest van de uitspraak.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/595

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 op het hoger beroep van:

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. D.W. Gerritsen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024, kenmerk ROT 23/7097, in het geding tussen

[naam] , te [vestigingsplaats] (onderneming)

(gemachtigde: mr. M.P. Harten)

en

de minister

Procesverloop in hoger beroep

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:5201).
De onderneming heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend.
De zitting was op 26 maart 2026. Aan de zitting heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de uitspraak van de rechtbank. Het College volstaat met het volgende.
1.2
De minister heeft met een besluit van 22 juni 2023 (boetebesluit) een bestuurlijke boete aan de onderneming opgelegd vanwege het niet of onvoldoende instellen van het rookverbod in een ruimte, gebouw of inrichting waar een werknemer zijn werkzaamheden verricht of pleegt te verrichten. Volgens de minister heeft de onderneming daarmee een overtreding begaan van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Tabaks- en rookwarenwet (Trw). De minister heeft het boetebesluit gebaseerd op een rapport van bevindingen van 26 mei 2023, opgemaakt door twee toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Uit dat rapport blijkt dat de toezichthouders op 3 maart 2023 omstreeks 10:15 uur een inspectie hebben uitgevoerd aan de [adres 1] te [vestigingsplaats] .
1.3
Met het besluit van 12 september 2023 (bestreden besluit), waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

Uitspraak van de rechtbank

2.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat in het rapport van bevindingen ten onrechte is opgenomen dat de inspectie heeft plaatsgevonden op het adres [adres 1] en dat daar een overtreding is geconstateerd. De minister stelt dat uit navraag bij de betrokken toezichthouder(s) is gebleken dat de inspectie heeft plaatsgevonden op de [adres 2] , maar dat als gevolg van een onjuiste KvK-registratie per abuis het adres [adres 1] in het rapport van bevindingen is opgenomen. De rechtbank oordeelt dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 5:48 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt en dat het boetebesluit een zorgvuldigheidsgebrek vertoont. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat aannemelijk is dat de onderneming niet is benadeeld door deze onzorgvuldigheid, omdat voor iedereen duidelijk moet zijn geweest waar de controle heeft plaatsgevonden. Er is sprake van een kennelijke verschrijving door de toezichthouder. De rechtbank heeft daarom het zorgvuldigheidsgebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
2.2
De rechtbank oordeelt vervolgens dat de onderneming inderdaad het rookverbod van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Trw heeft overtreden en dat de minister bevoegd was om daarvoor een boete op te leggen. Het beroep is daarom ongegrond. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb heeft de rechtbank bepaald dat de minister het betaalde griffierecht aan de onderneming moet vergoeden en de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de onderneming.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

3.1
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, omdat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. De minister meent dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb en daarom ook ten onrechte heeft bepaald dat de minister het betaalde griffierecht moet vergoeden en de staatsecretaris ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
3.2
De minister voert aan dat voor zowel de rechtbank, de minister, als de onderneming duidelijk is waar de inspectie heeft plaatsgevonden. De wijze waarop de omissie ten aanzien van het inspectieadres in de bezwaarfase aan de orde is geweest getuigt juist van een zorgvuldige behandeling, zeker nu de onderneming in de bezwaarfase de gelegenheid heeft gehad hierop te reageren. De vaststelling dat er sprake is van een kennelijke verschrijving, had moeten leiden tot de conclusie dat er geen sprake is van een gebrek. De rechtbank gaat er in de uitspraak volledig aan voorbij dat niet het boetebesluit, maar de beslissing op bezwaar ter toetsing voorlag. Als er al sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek, dan is dat met de beslissing op bezwaar hersteld.
4 De onderneming stelt in haar reactie dat er geen sprake is van een kennelijke verschrijving, maar van een grove onzorgvuldigheid doordat de minister een volstrekt onjuist rapport aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Tijdens de zitting bij de rechtbank is bovendien gebleken dat het rapport van bevindingen meerdere onjuistheden bevat. Het zorgvuldigheidsgebrek is dan ook niet met de beslissing op bezwaar al hersteld.
5.1
Het College stelt vast dat de rechtbank in 5.1.4 van haar uitspraak heeft geconcludeerd dat het boetebesluit een zorgvuldigheidsgebrek vertoont, doordat in het rapport van bevindingen een adres is opgenomen waar de controle niet heeft plaatsgevonden. De minister voert in hoger beroep terecht aan dat bij de rechtbank niet het boetebesluit, maar het bestreden besluit ter toetsing voorlag. De rechtbank is eraan voorbijgegaan dat de minister zelf in bezwaar al had geconstateerd dat er een onjuist adres in het rapport stond. Dit is tijdens de hoorzitting aan de orde geweest en vervolgens is in het bestreden besluit ook toegelicht hoe deze fout in het rapport en boetebesluit terecht is gekomen. Voor zover er sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek, is dat dan ook met het bestreden besluit hersteld. Van een gebrek in het bestreden besluit is geen sprake. Omdat de onderneming geen hoger beroep heeft ingesteld, zal het College niet ingaan op haar stelling dat het rapport van bevindingen nog meer onjuistheden bevat.
5.2
Het voorgaande betekent dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb. De minister hoeft daarom niet het door de onderneming in beroep betaalde griffierecht aan haar te vergoeden en is ten onrechte veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beroep van de onderneming. Het hoger beroep slaagt en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de minister het griffierecht aan de onderneming moet vergoeden en de minister is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de onderneming. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College:
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de minister het griffierecht aan de onderneming moet vergoeden en de minister is veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de onderneming;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
w.g. H.S.J. Albers w.g. A.A. Dijk