Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:199

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
26/269
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 1:3 AwbArt. 5:25 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening inzake last onder bestuursdwang en voorwaardenbrief afgewezen

Verzoekers hebben een last onder bestuursdwang opgelegd gekregen wegens overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren. De minister heeft bestuursdwang toegepast door 85 schapen in bewaring te nemen. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen deze last en vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de voorwaarden voor teruggave van de dieren te schorsen of te wijzigen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de voorwaardenbrief geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro en daarom niet vatbaar is voor bezwaar en beroep. Het verzoek om heropening van een eerdere zaak wordt eveneens afgewezen omdat daar al uitspraak op is gedaan. Het verzoek om voorlopige voorziening heeft geen materiële connexiteit met de bezwaarprocedure tegen de last onder bestuursdwang.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke beoordeling en zonder zitting. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts op 30 april 2026.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de voorwaardenbrief wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/269
uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2] , te [woonplaats] (verzoekers)

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. E.M. Scheffer)

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2025 met referentie BBB/TET/TET/U-25/04502 en zaaknummer 202501089 heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoekers wegens verschillende overtredingen van de Wet dieren en het Besluit houders van dieren.
Verzoekers hebben tegen deze last bezwaar gemaakt.
De minister heeft op 2 maart 2026 op grond van de last van 19 juni 2025 bestuursdwang toegepast door 85 schapen mee te voeren en in bewaring te nemen. Bij brief van 12 maart 2026 heeft de minister hiervan mededeling gedaan aan verzoekers.
Op 20 maart 2026 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om hangende hun bezwaar tegen de last van 19 juni 2025 een voorlopige voorziening te treffen.
Met de uitspraak van 15 april 2026 (ECLI:NL:CBB:2026:194) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Met de brief van 21 april 2026 (voorwaardenbrief) heeft de minister aan verzoekers de voorwaarden kenbaar gemaakt waaronder zij de meegevoerde schapen, voor zover die transportwaardig zijn, kunnen terugkrijgen. Die voorwaarden houden in dat verzoekers vóór 23 april, 12:00u:
- de geschatte kosten van bestuursdwang ad € 21.915,52 dienen te voldoen;
- voorzien in (kort gezegd) geschikte huisvesting en voer van passende kwaliteit voor de dieren.
Als niet tijdig aan die voorwaarden wordt voldaan, zal de minister de procedure starten om de dieren te verkopen.
Met hun brief van 21 april 2026 hebben verzoekers de voorzieningenrechter opnieuw gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Ook hebben zij gevraagd om heropening van het onderzoek in zaak 26/184.
De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder een zitting te houden, als hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.
2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het niet mogelijk is het onderzoek in zaak 26/184 te heropenen, omdat in die zaak reeds uitspraak is gedaan. Het verzoek om heropening kan dan ook niet worden ingewilligd.
3 Het nieuwe verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe de voorwaarden in de voorwaardenbrief te schorsen, dan wel de daarin opgenomen termijn om de betaling te doen voor teruggave van de schapen te verlengen. Verder bevat het verzoekschrift overige verzoeken, bijvoorbeeld om de minister te gelasten inzage te verlenen in digitale bestanden.
4 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de voorwaardenbrief geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb waartegen bezwaar en beroep openstaan. [1] De brief bevat de voorwaarden waaronder de minister bereid is de schapen terug te geven, waartoe in het bijzonder de voorwaarde is gesteld dat verzoekers de geschatte kosten van bestuursdwang betalen. Daarmee is de brief niet op enig rechtsgevolg gericht. Veeleer gaat het hier om een beslissing van de minister over feitelijk handelen, te weten de teruggave van de dieren. Daartegen kan niet bij de bestuursrechter worden opgekomen. Een besluit waarbij de kosten van bestuursdwang worden vastgesteld als bedoeld in artikel 5:25, zesde lid, van de Awb is nog niet genomen.
5 Voor zover verzoekers hebben bedoeld het nieuwe verzoek om voorlopige voorziening in te dienen hangende hun bezwaar tegen de last van 19 juni 2025 (zaaknummer 202501089), overweegt de voorzieningenrechter dat het verzoek, blijkens de gronden en de gevraagde voorzieningen, geen betrekking heeft op de in bezwaar bestreden last, maar op de voorwaardenbrief. In zoverre ontbreekt dan ook de vereiste materiële connexiteit tussen het verzoek en de bezwaarprocedure.
6 Gelet op het vorenstaande komt de voorzieningenrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening. Dit geldt ook voor de hiervoor bedoelde overige verzoeken, die immers accessoir zijn aan het verzoek om de voorwaarden in de voorwaardenbrief te schorsen, dan wel de daarin opgenomen betalingstermijn te verlengen. Het verzoek is om deze reden kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter zal het verzoek dan ook met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaren, zonder partijen in de gelegenheid te stellen op een zitting te worden gehoord.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.W. Aerts, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.M. Beishuizen

Voetnoten

1.Zie ook de uitspraak van de voorzieningenrechter van het College van 2 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:76, onder 6.1).