Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CBB:2026:205

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
26/226 en 26/227
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor permanente verhoging slachtsnelheid pluimveeslachterij

Esbro B.V. heeft een aanvraag ingediend voor een permanente verhoging van de slachtsnelheid naar 15.000 kuikens per uur. Na eerdere afwijzing werd de aanvraag in behandeling genomen en alsnog afgewezen door de staatssecretaris. Esbro stelde beroep in en verzocht om voorlopige voorzieningen.

De staatssecretaris stuurde een brief waarin werd meegedeeld dat de pilot met verhoogde slachtsnelheid eindigde en dat de snelheid daarna moest worden afgebouwd. Esbro stelde dat deze brief een besluit was dat zij kon aanvechten, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de brief geen besluit is omdat het slechts de bevestiging van het einde van de pilotfase betreft zonder rechtsgevolg.

Verder werd beoordeeld of Esbro een spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter stelde vast dat de bedrijfseconomische gevolgen voortvloeien uit het einde van de pilot en niet uit het bestreden besluit. Ook de investeringen en concurrentiepositie van Esbro rechtvaardigen geen spoedeisend belang.

Daarom wees de voorzieningenrechter de verzoeken om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door mr. M.M. Smorenburg op 1 mei 2026.

Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen omdat geen besluit is genomen en er geen spoedeisend belang bestaat.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 26/226 en 26/227
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2026 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

Esbro B.V., te Wehl

(gemachtigde: mr. E. Dans)
en

de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. E.E.M. Geerligs)

Procesverloop

26/226
Met het besluit van 29 september 2023 heeft de staatssecretaris de aanvraag om met een slachtsnelheid van 15.000 kuikens per uur te mogen slachten (tweede aanvraag) buiten behandeling gesteld.
Met het besluit van 30 april 2024 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van Esbro gegrond verklaard, de aanvraag alsnog in behandeling genomen en afgewezen.
Esbro heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld op 7 juni 2024. Zij heeft op 8 april 2026 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
26/227
Met de brief van 5 maart 2026 heeft de staatssecretaris meegedeeld dat de pilot voor slacht met een slachtsnelheid van 15.000 kuikens per uur eindigt op 30 maart 2026 en dat Esbro daarna de slachtsnelheid geleidelijk moet afbouwen naar 13.500 kuikens per uur.
Esbro heeft tegen de brief bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Alle zaken
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd.
Esbro heeft een reactie daarop ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] namens Esbro, drs. [naam 4] namens de staatssecretaris, en de gemachtigden van partijen.

Aanleiding voor de procedures

1.1
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt het College in een bodemprocedure niet.
1.2
Esbro exploiteert een pluimveeslachterij. Zij wil permanent met een slachtsnelheid van 15.000 kuikens per uur slachten. Na de afwijzing in 2021 van een eerdere aanvraag heeft Esbro hiertoe in 2023 een nieuwe aanvraag ingediend (tweede aanvraag, 26/226). De staatssecretaris staat een hogere slachtsnelheid echter niet toe zolang de Aanwijzing van de inspecteur-generaal van 21 juli 2021 (Staatscourant 2021, 36045, Aanwijzing) geldt waaruit volgt dat lopende en nieuwe aanvragen van bedrijven om een verhoging van de slachtsnelheid afgewezen worden totdat de staatssecretaris een nieuw beleidskader heeft vastgesteld. De staatssecretaris werkt in samenspraak met belangenpartijen aan een nieuw beleids- en toetsingskader; onderdeel daarvan is een pilot in zowel de pluimvee- als de roodvleessector om ervaringsgegevens op te doen. De staatssecretaris heeft Esbro gevraagd om deel te nemen aan de pilot (derde aanvraag, 26/227) die inmiddels is afgerond. Partijen verschillen van mening over de vraag of Esbro de slachtsnelheid na de pilot blijvend mag verhogen naar 15.000 kuikens per uur. Volgens Esbro is er geen beletsel meer nu zij de pilotfase met succes heeft doorlopen.
1.3
Esbro verzoekt de voorzieningenrechter om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij een maximale slachtsnelheid mag hanteren van 15.000 kuikens per uur totdat het College uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure (met zaaknummer 24/512) over haar tweede aanvraag en/of totdat de staatssecretaris heeft besloten op het bezwaar van Esbro over haar derde aanvraag.

Beoordeling van de verzoeken om voorlopige voorziening

Is de brief van 5 maart 2026 een besluit? (26/227)
2.1
De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat brief van 5 maart 2026 geen rechtsgevolg heeft, omdat hij daarmee heeft bevestigd dat de pilot volgens afspraak is beëindigd. Het beoogde rechtsgevolg is met het besluit van 28 juli 2025 ontstaan omdat hij daarmee een tijdelijke verhoging van de slachtsnelheid heeft toegestaan, met daarbij de mededeling dat een permanente verhoging van de slachtsnelheid niet kan worden gehonoreerd zolang de Aanwijzing van de inspecteur-generaal nog geldt.
2.2
Esbro stelt zich op het standpunt dat de staatssecretaris met de brief van 5 maart 2026 de permanente verhoging van de lijnsnelheid heeft afgewezen of dat hij daarmee heeft geweigerd een besluit te nemen, aangezien Esbro met de derde aanvraag een permanente verhoging overeenkomstig stap 5 na afloop van de stappen 3 en 4 van de pilotperiode heeft aangevraagd. In beide gevallen is de brief een besluit.
2.3
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is een besluit gericht op rechtsgevolg. Met andere woorden, het moet gaan om een beslissing die bedoeld is om verandering te brengen in de rechten of plichten van degene tot wie die beslissing is gericht.
2.4
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de brief van 5 maart 2026 geen besluit, omdat daarmee geen rechtsgevolg is beoogd. In het aanvraagformulier heeft Esbro ingevuld dat de gewenste begindatum van de pilotfase 25 augustus 2025 is en de einddatum maart/april 2026. Weliswaar zijn de aanvraag en het projectplan onderdeel van de pilot die bedoeld is om in 5 fases tot een voor partijen werkbare verhoging van de slachtsnelheid te komen, maar de derde aanvraag ziet op een tijdelijke verhoging. In het besluit van 28 juli 2025 naar aanleiding van die derde aanvraag heeft de staatssecretaris een begin- en eindmoment opgenomen en daarbij vermeld dat de verhoging van de slachtsnelheid stapsgewijs toeneemt en dat de slachtsnelheid na de pilot weer naar beneden dient te worden gebracht als de Aanwijzing nog geldt. Daarmee is dan ook het rechtsgevolg beoogd dat Esbro gedurende een afgebakende periode met een stapsgewijze verhoging van de snelheid tot 15.000 kuikens per uur mocht slachten waarna zij de snelheid dient af te bouwen. De brief van de staatssecretaris van 5 maart 2026 is de bevestiging van het einde van de testfase. De voorzieningenrechter leest daarin geen afwijzing van een aanvraag om de slachtsnelheid permanent te verhogen en de staatssecretaris hoefde dat gelet op de inhoud van de aanvraag ook niet te doen. Voor zover Esbro vindt dat de derde aanvraag te beperkt is uitgelegd, had zij tegen het besluit van 28 juli 2025 kunnen opkomen.
2.5
Het betoog dat de brief van 5 maart 2026 een met een besluit gelijk te stellen schriftelijke weigering is om een besluit nemen (artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb) slaagt niet, omdat de staatssecretaris al op de derde aanvraag heeft beslist met het besluit van 28 juli 2025.
2.6
Omdat de brief van 5 maart 2026 geen besluit is, staat daar geen bezwaar tegen open en kan de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:81 van Pro de Awb ook geen voorziening treffen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter niet toekomt aan de beoordeling van de inhoud van de brief en dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening in zaak 26/227.
Is er spoedeisend belang bij het bestreden besluit? (26/226)
3.1
Voordat kan worden toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer 26/226 moet worden beoordeeld of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.
3.2
De staatssecretaris vindt dat Esbro geen spoedeisend belang heeft, omdat de gestelde consequenties het gevolg zijn van de pilot en niet van de afwijzing van de tweede aanvraag. De staatssecretaris heeft Esbro niet de garantie gegeven dat zij na afloop van de pilot met een verhoogde slachtsnelheid mocht blijven slachten of dat de tweede aanvraag zou worden toegewezen, zodat het voorzienbare gevolgen betreft. Dat Esbro die verwachting zelf mogelijk wel heeft gehad, komt voor haar rekening en risico.
3.3
Esbro stelt zich op het standpunt dat zij een spoedeisend belang heeft. Zij lijdt namelijk ernstig financieel nadeel, heeft reputatieschade en haar concurrentiepositie wordt aangetast door het besluit. Door het wegvallen van de toestemming kan zij minder kuikens verwerken en wordt 10% van de (vaste) kosten niet gedekt door aanvullende inkomsten terwijl zij extra geïnvesteerd heeft in personeel en apparatuur. Esbro heeft daardoor bovendien een kostprijsnadeel in vergelijking met slachterijen in binnen- en buitenland. Tot slot kan zij afspraken met leveranciers en afnemers niet meer nakomen.
3.4
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Esbro geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. De bedrijfseconomische consequenties die Esbro heeft benoemd zijn namelijk het gevolg van het aflopen van de pilotfase (26/227) en niet van het bestreden besluit van 30 april 2024 waar dit verzoek om een voorlopige voorziening (26/226) op ziet. Dat Esbro heeft verwacht voor een langdurige slachtsnelheidverhoging in aanmerking te komen en zij daarom geen tijdelijke afspraken met personeel, leveranciers en afnemers heeft gemaakt om financiële gevolgen van deelname te beperken en reputatieschade te voorkomen, komt voor haar rekening. Het maakt in ieder geval niet dat die consequenties het gevolg van het bestreden besluit zijn. Verder is niet gesteld dat de investeringen in slachtapparatuur, voor zover vóór de pilot gedaan, tot acute en onomkeerbare financiële gevolgen voor Esbro leiden op dit moment. Esbro heeft mogelijk een minder gunstige concurrentiepositie dan bedrijven die buiten Nederland met een hogere slachtsnelheid mogen slachten. In Nederland bevond Esbro zich echter, zij het tijdelijk en op vrijwillige basis, in een gunstiger uitzonderingspositie doordat zij tijdelijk met een hogere snelheid mocht slachten. Daarom levert wat over haar concurrentiepositie is gesteld geen spoedeisend belang op.
3.5
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening in zaak 26/226.
Conclusie
4 De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. M. Ettema