De onderneming werd door de minister beboet wegens het inzetten van een medewerker zonder definitief getuigschrift van vakbekwaamheid bij slachtactiviteiten, in strijd met Verordening 1099/2009 en de Wet dieren. De rechtbank stelde de boete vast op € 5.625,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep betoogde de onderneming dat de medewerker beschikte over een voorlopig getuigschrift en dat er adequate supervisie was. Het College oordeelde dat een voorlopig getuigschrift niet gelijkstaat aan een definitief getuigschrift zoals vereist en dat de medewerker enige tijd zonder supervisie handelde, wat een overtreding vormt.
De onderneming voerde aan dat de boete onevenredig was en dat de risico’s voor dierenwelzijn gering waren. Het College onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het ontbreken van een definitief getuigschrift een meer dan gering risico voor dierenwelzijn inhoudt. De boete werd verder gematigd met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor het boetebedrag op € 5.250,- werd vastgesteld.
Daarnaast veroordeelde het College de Staat tot vergoeding van proceskosten van € 467,- en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.