Het slachthuis werd door de NVWA betrapt op het schoonmaken van varkenskarkassen met alcoholdoekjes, een methode die niet is toegestaan voor het verwijderen van zichtbare verontreiniging. Na waarschuwing door de toezichthouder werden de karkassen geflambeerd, maar bleven zichtbaar verontreinigd. De minister legde daarop een bestuurlijke boete op wegens overtreding van de hygiënevoorschriften uit Verordening 852/2004.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van het slachthuis ongegrond en bevestigde de boete. Het slachthuis stelde in hoger beroep dat de alcoholdoekjes alleen voor haken en baanvet waren gebruikt en dat de karkassen later correct waren opgeknapt. Het College oordeelde echter dat uit het inspectierapport duidelijk bleek dat de doekjes voor het schoonmaken van de karkassen werden gebruikt en dat de opknapping pas na interventie van de toezichthouder plaatsvond, en bovendien onvoldoende was.
Het College verwierp het betoog dat het risico voor de volksgezondheid gering was, omdat de procedure waarbij NVWA de karkassen na opknappen controleert niet was gevolgd. De boete werd daarom niet gematigd op basis van risicovermindering. Wel matigde het College de boete met 10% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de bestuursrechtelijke procedure. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan het slachthuis.