ECLI:NL:CBB:2026:29

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
22/2346
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:22 AwbArt. 8:54 AwbArt. 27 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens faillissement en ontbreken belang bij voortzetting

In deze zaak heeft [naam 1] B.V. hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin de ACM in het gelijk werd gesteld. Na de faillietverklaring van [naam 1] heeft de curator aangegeven het geding niet over te nemen. De ACM heeft daarop ontslag van instantie gevraagd, hetgeen inhoudt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het College heeft overwogen dat op grond van artikel 27 van Pro de Faillissementswet het geding geschorst moet worden om de curator in de gelegenheid te stellen het geding over te nemen. Indien de curator dit niet doet, kan de gedaagde ontslag van instantie vragen. Hoewel de rechter dit verzoek onder omstandigheden kan afwijzen, heeft het College geoordeeld dat het belang van de ACM bij het verkrijgen van een onherroepelijke uitspraak zwaarder weegt dan het ontbreken van belang van [naam 1].

[naam 1] heeft ondanks meerdere verzoeken geen belang bij voortzetting kenbaar gemaakt. Ook de stichting die als derde partij deelnam, heeft geen belang meer bij voortzetting. Het College verklaart daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk en doet uitspraak zonder zitting, conform artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep van [naam 1] wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens faillissement en ontbreken van belang bij voortzetting.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 22/2346
uitspraak zonder zitting van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 op het hoger beroep van

[naam 1] B.V., te [woonplaats 1] ( [naam 1] )

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2022,
kenmerk ROT 21/1976, in het geding tussen

[naam 1] enAutoriteit Consument en Markt (ACM)

(gemachtigde: mr. T. Sahabi).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting [naam 2] , te [woonplaats 2] (stichting)

(gemachtigde: mr. H. Hielkema)

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 15 september 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:7611).
De ACM heeft een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.
De stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De toenmalige gemachtigde van [naam 1] heeft bij brief van 7 november 2024 bericht dat [naam 1] op 5 november 2024 failliet is verklaard.
Bij brief van 13 februari 2025 heeft de curator in het faillissement van [naam 1] aan het College te kennen gegeven dat hij het geding niet overneemt.
De ACM heeft bij brief van 26 maart 2025 om ontslag van instantie gevraagd.
Op 30 april 2025 heeft de ACM te kennen gegeven waarom de procedure kan worden beëindigd. Op 2 mei 2025 heeft de stichting medegedeeld dat zij geen belang meer heeft bij voortzetting van de zaak.

Overwegingen

1.1
In artikel 8:22, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat in geval van faillissement artikel 27 van Pro de Faillissementswet (Fw) van overeenkomstige toepassing is.
1.2
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Fw wordt, indien de rechtsvordering tijdens de faillietverklaring aanhangig en door de schuldenaar ingesteld is, het geding ten verzoeke van de gedaagde geschorst, ten einde deze in de gelegenheid te stellen, binnen een door de rechter te bepalen termijn, de curator tot overneming van het geding op te roepen.
1.3
Op grond van het tweede lid heeft de gedaagde het recht ontslag van instantie te vragen, zo de curator aan die oproeping geen gevolg geeft.
1.4
Uit het arrest van de Hoge Raad van 7 november 2007 (ECLI:NL:HR:2007:BA5197) volgt dat artikel 27, tweede lid, van de Fw niet dwingt tot toewijzing van een vordering tot verlening van ontslag van de instantie; de rechter mag deze onder omstandigheden afwijzen. Verder heeft de Hoge Raad in dit arrest geoordeeld dat bij de beoordeling van een verzoek tot ontslag van de instantie het belang van de verzoeker dient te worden afgewogen tegen het belang van de wederpartij bij het verkrijgen van een beslissing op het materiële geschil zoals dat door hem aan de rechter is voorgelegd.
1.5 '
Ontslag van instantie' wordt in de bestuursrechtelijke context opgevat als een verzoek om de partij die (hoger) beroep heeft ingesteld en in staat van faillissement verkeert, niet-ontvankelijk te verklaren.
Oordeel van het College
2.1
De ACM heeft aangevoerd geen belang meer te hebben bij voortzetting van de procedure omdat die is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank waarbij de ACM in het gelijk is gesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de ACM terecht een bindende aanwijzing aan [naam 1] heeft opgelegd. De ACM heeft er dus belang bij dat deze bindende aanwijzing onherroepelijk wordt.
2.2
De stichting heeft gesteld dat zij geen belang meer heeft bij voorzetting van de zaak om dat [naam 1] failliet is verklaard en de curator de zaak niet overneemt.
2.3
Bij brief van 13 oktober 2025 is [naam 1] in de gelegenheid gesteld om schriftelijk kenbaar te maken welk belang [naam 1] heeft bij voortzetting van deze procedure. Hierop heeft [naam 1] geen reactie gegeven. De curator van [naam 1] heeft bij e-mail bericht van 15 oktober 2025 het volgende te kennen gegeven: “In bijlage zend ik u hierbij de reactie namens de heer [naam 3] .” Het College heeft vastgesteld dat de genoemde bijlage geen reactie bevat van genoemde [naam 3] , maar slechts een afschrift met bijlagen van de brief van het College van 13 oktober 2025. Ook na telefonische navraag bij de curator is geen reactie van [naam 3] voornoemd ontvangen.
2.4
Het College is van oordeel dat het verzoek om ontslag van instantie moet worden toegewezen. [naam 1] heeft – ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld – geen belang bij het College kenbaar gemaakt, zodat het ervoor gehouden moet worden dat de door ACM aangevoerde belangen zwaarder wegen.
2.5
Dit betekent dat het beroep van [naam 1] niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2.6
Het College doet uitspraak zonder zitting, omdat het over voldoende informatie beschikt om tot dit oordeel te komen. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een zitting in dat geval niet nodig is.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
w.g. J.H. de Wildt w.g. P.M. Beishuizen

Wat u kunt doen als u het niet eens bent met deze uitspraak

Tegen deze uitspraak kunt u in verzet gaan bij het College. U doet dit door in een brief (het verzetschrift) toe te lichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak. Zorg ervoor dat het College uw verzetschrift op tijd ontvangt, namelijk binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. In uw verzetschrift kunt u het College vragen om mondeling te mogen toelichten waarom u het niet eens bent met de uitspraak.