ECLI:NL:CBB:2026:296

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
24/422
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 VGBAArt. 22 WtraArt. 39 WtraHoofdstuk V Wtra
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ongegrond tegen ongegrondverklaring klacht accountant over advieswerkzaamheden ontvlechting maatschap

Klager diende een klacht in tegen een accountant die jaarrekeningen van zijn maatschap had samengesteld. De klacht betrof onder meer fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap, die feitelijk door een agrarisch bedrijfsadviseur binnen dezelfde ondernemingsgroep waren verricht.

De accountantskamer verklaarde zes klachtonderdelen ongegrond, omdat klager niet aannemelijk had gemaakt dat de agrarisch bedrijfsadviseur onder verantwoordelijkheid van de accountant werkte. Klager stelde in hoger beroep dat de accountant wel tuchtrechtelijk verantwoordelijk was, maar het College oordeelde dat de advieswerkzaamheden los stonden van de samenstelopdracht waarvoor de accountant verantwoordelijk was.

Daarnaast weigerde het College stukken die klager laat had ingediend zonder onderbouwing, wegens strijd met de goede procesorde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de uitspraak van de accountantskamer werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de klacht tegen de accountant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/422

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 op het hoger beroep van:

[naam 1] te [woonplaats]

(gemachtigde: S. Potyk)
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 22 maart 2024 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen

[naam 2]

(gemachtigde: mr. drs. J.F. Garvelink)

Procesverloop in hoger beroep

[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 22 maart 2024, met nummer 23/1019 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2024:10).
[naam 2] heeft een schriftelijke reactie op het hogerberoepschrift gegeven.
[naam 1] heeft nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 12 maart 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 1] bijgestaan door S. Potyk en [naam 2] , bijgestaan door mr. drs. J.F. Garvelink.

Grondslag van het geschil

1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
1.2
[naam 2] was sinds 17 december 1992 ingeschreven in het accountantsregister van de NBA. Hij was in de periode waarop de klacht betrekking heeft, werkzaam bij [naam 3] accountants B.V. ( [naam 3] accountants) in [vestigingsplaats 1] . Op de zitting van het College heeft [naam 2] verklaard dat hij inmiddels niet meer is ingeschreven in het accountantsregister van de NBA vanwege pensionering.
1.3
[naam 1] oefende met ingang van 1 mei 2008 een maatschap uit met zijn oudoom [naam 4] (oudoom). [naam 1] en zijn oudoom hebben daartoe op 13 augustus 2008 een maatschapsakte ondertekend. De maatschap exploiteerde een agrarische onderneming in [naam 5] , in de gemeente [vestigingsplaats 2] . De grond en (een aantal van) de gebouwen van de onderneming werden gebruikt op basis van pacht en erfpacht. De vastgelegde einddatum van de pacht van de landerijen is in 2011 gewijzigd naar 1 mei 2019.
1.4
[naam 1] en zijn oudoom hebben [naam 3] accountants gevraagd om de jaarrekeningen van de maatschap samen te stellen. [naam 2] heeft een aantal jaarrekeningen van de maatschap samengesteld. Daarnaast verrichtte [naam 6] ( [naam 6] ) vanuit [naam 3] belastingadvies B.V. ( [naam 3] belastingadvies) werkzaamheden als agrarisch bedrijfsadviseur voor de maatschap. [naam 3] accountants en [naam 3] belastingadvies behoorden tot dezelfde groep van ondernemingen genaamd [naam 3] adviseurs en accountants ( [naam 3] ) en waren gevestigd in hetzelfde pand in [vestigingsplaats 1] .
1.5
De oudoom van [naam 1] wilde in verband met zijn leeftijd met pensioen gaan. Naar aanleiding hiervan hebben [naam 1] en zijn oudoom gesproken over voortzetting van het agrarisch bedrijf door [naam 1] . In verband hiermee is met de eigenaar van de grond onderhandeld over de voortzetting van de pacht. Hiernaast werd onderhandeld tussen [naam 1] en zijn oudoom over de voorwaarden waaronder [naam 1] de agrarische onderneming zou mogen voortzetten. [naam 6] heeft hen aanvankelijk begeleid in dit traject. Op enig moment in het najaar van 2018 heeft [naam 1] kritiek geleverd op de wijze waarop [naam 6] zijn werkzaamheden als intermediair verrichtte. Vervolgens heeft [naam 3] de werkzaamheden voor de maatschap beëindigd. Op 11 december 2018 heeft [naam 1] [naam 3] aansprakelijk gesteld.
1.6
Op 15 mei 2019 heeft [naam 1] met zijn oudoom een schikking getroffen over de ontbinding van de maatschap. In artikel 15 van Pro deze overeenkomst was vastgelegd dat als het niet zou lukken om de exploitatie van het landbouwbedrijf voort te zetten, [naam 1] en zijn oudoom met elkaar zouden afrekenen op basis van volledige verkoop. Doordat het niet is gelukt om met de grondeigenaar tot overeenstemming te komen over de verkoop van de grond en de gebouwen, was voortzetting van de onderneming op de locatie bij [naam 5] niet mogelijk. Daardoor is artikel 15 van Pro de overeenkomst in werking getreden. [naam 1] heeft de boerderij in 2021 verlaten. Hij exploiteert nu ergens anders een agrarisch bedrijf.

Procedure en uitspraak van de accountantskamer

Procedure bij de accountantskamer
2.1
Met het klaagschrift van 19 april 2023 heeft [naam 1] een klacht tegen [naam 2] ingediend, waarbij [naam 1] meerdere bijlagen heeft gevoegd. Met de brief van 25 april 2023 heeft de accountantskamer [naam 1] geschreven dat het klaagschrift niet compleet is, omdat onder meer de feiten waarvoor de tuchtrechtelijke maatregel wordt gevraagd niet of onvoldoende in het klaagschrift waren vermeld. De accountantskamer heeft [naam 1] in de gelegenheid gesteld om zijn klaagschrift aan te vullen. Met de e-mail van 12 mei 2023 heeft [naam 1] zijn klacht aangevuld.
2.2
Met de uitspraak van 15 juni 2023 heeft de voorzitter van de accountantskamer op grond van artikel 39, eerste lid, Wet tuchtrechtspraak accountants (Wtra) de klacht van [naam 1] kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De voorzitter van de accountantskamer heeft geoordeeld dat het klaagschrift niet voldoet aan de eisen die artikel 22 van Pro de Wtra daaraan stelt. In het klaagschrift en de aanvulling daarop ontbreekt namelijk een feitelijke onderbouwing van de klachten. Bovendien zijn bij het klaagschrift meerdere bijlagen gevoegd, waarop [naam 1] geen duidelijk beroep heeft gedaan.
2.3
Met het verzetschrift van 24 juli 2023 is [naam 1] in verzet gekomen tegen de uitspraak van 15 juni 2023 van de voorzitter van de accountantskamer. In het verzetschrift heeft [naam 1] zijn klachten opnieuw weergegeven en aanvullende stukken ingediend.
2.4
Met de brief van 27 juli 2023 heeft de accountantskamer aan [naam 1] geschreven dat de uitspraak van 15 juni 2023 komt te vervallen omdat [naam 1] verzet heeft gedaan en dat de zaak verder door de accountantskamer wordt behandeld.
De klacht
2.5
De klacht, zoals weergegeven in de uitspraak van de accountantskamer, houdt ˗ voor zover voor het hoger beroep van belang ˗ in dat [naam 2] in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels. [naam 1] verwijt [naam 2] het volgende:
a. de onder verantwoordelijkheid van [naam 2] werkzame [naam 6] heeft de belangen van de oudoom van [naam 1] boven de belangen van [naam 1] geplaatst;
(…)
f. de door [naam 1] aan zijn oudoom te betalen overnamesom is ten onrechte niet toegelicht door [naam 3] ;
(…)
h. ten onrechte is vanuit [naam 3] gesteld dat stille reserves op werktuigen en vee nagenoeg geheel toekomen aan de oudoom van [naam 1] ;
i. [naam 2] heeft ten onrechte geweigerd om de startgegevens met betrekking tot de maatschap aan [naam 1] te verschaffen;
j. [naam 3] heeft onjuist gehandeld ten aanzien van [naam 1] , wat voor hem tot veel onnodige kosten heeft geleid;
k. ten onrechte is [naam 6] , nadat de werkzaamheden voor de maatschap vanuit [naam 3] waren beëindigd, opgetreden als persoonlijk belangenbehartiger van de oudoom van [naam 1] .
Uitspraak accountantskamer
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer ˗ voor zover voor het hoger beroep van belang ˗ de klachtonderdelen a, f, h, i, j en k ongegrond verklaard.

Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Omvang van het geding en samenvatting
3.1
Het College begrijpt het hogerberoepschrift van [naam 1] zo dat hij zich keert tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a, f, h, i, j en k door de accountantskamer.
3.2
Met de e-mail van 26 februari 2026 heeft [naam 1] een brief aan het College verstuurd, waarbij hij 21 stukken met een aanzienlijke omvang heeft gevoegd. [naam 1] heeft daarbij geen onderbouwing gegeven waarom deze stukken betrekking hebben op de door hem in het hogerberoepschrift aangevoerde hogerberoepsgronden. Ook op de zitting bij het College heeft [naam 1] dat niet duidelijk gemaakt. Op de zitting bij het College heeft [naam 2] betoogd dat de indiening van deze stukken in strijd is met de goede procesorde. Daarbij heeft [naam 2] aangevoerd dat [naam 1] de stukken eerst dertien dagen voor de zitting heeft ingediend, terwijl hij gelet op de datering van die stukken al geruime tijd over die stukken beschikte. [naam 1] had deze stukken (veel) eerder kunnen en moeten indienen bij het College. Ook is het voor [naam 2] niet duidelijk hoe de inhoud van de stukken zich verhoudt tot de door [naam 1] aangevoerde hogerberoepsgronden. Daardoor kan [naam 2] niet adequaat reageren op deze stukken. Het College volgt [naam 2] in zijn betoog. Aangezien [naam 1] deze talrijke stukken met een aanzienlijke omvang in een te laat stadium bij het College heeft ingediend, zonder onderbouwing waarom de stukken betrekking hebben op de door hem aangevoerde hogerberoepsgronden, heeft het College op de zitting besloten om deze stukken te weigeren omdat de indiening daarvan in strijd is met de goede procesorde. Dat betekent dat het College deze stukken niet in zijn oordeelsvorming zal betrekken.
3.3
Het College zal de hogerberoepsgronden van [naam 1] tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen a, f, h, i, j en k door de accountantskamer bespreken. De bespreking van de hogerberoepsgronden leidt tot het oordeel dat de accountantskamer die klachtonderdelen terecht ongegrond heeft verklaard.
Hogerberoepsgrond: [naam 6] werkte onder verantwoordelijkheid van [naam 2]
4.1
Het College begrijpt het hogerberoepschrift van [naam 1] zo dat hij twee hogerberoepsgronden aanvoert tegen de bestreden uitspraak, die in wezen op één hogerberoepsgrond neerkomen. Het betreft de ongegrondverklaring door de accountantskamer van de klachtonderdelen a, f, h, i, j en k. Deze klachtonderdelen hebben betrekking op werkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap van [naam 1] en zijn oudoom en die werkzaamheden zijn feitelijk niet door [naam 2] verricht, maar door [naam 6] . [naam 1] stelt zich op het standpunt dat de accountantskamer ten onrechte heeft geoordeeld dat [naam 2] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet vaktechnisch verantwoordelijk was voor het handelen van [naam 6] , omdat [naam 2] en [naam 6] werkzaam waren bij verschillende onderdelen van [naam 3] in [vestigingsplaats 1] en tussen hen geen gezagsverhouding bestond. Volgens [naam 1] is dit oordeel van de accountantskamer onbegrijpelijk, want [naam 2] heeft op de zitting bij de accountantskamer verklaard dat [naam 6] gegevens voor het samenstellen van de jaarrekening heeft opgevraagd bij [naam 1] en zijn oudoom. Ook heeft de heer [naam 2] nooit een jaarrekening besproken met [naam 1] en zijn oudoom. [naam 6] gaf namelijk uitleg over de jaarrekeningen.
4.2
Het College volgt [naam 1] niet in zijn betoog dat [naam 2] tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor de door [naam 6] verrichtte werkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap en licht dat als volgt toe.
4.3.1
Op grond van artikel 14, eerste en tweede lid, van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) moet een accountant ervoor zorgen dat degene die onder de verantwoordelijkheid van deze accountant werkzaamheden uitvoert voor een professionele dienst, hiervoor adequaat is toegerust. De accountant moet ervoor zorgen dat er een toereikende begeleiding van, toezicht op en beoordeling van deze werkzaamheden plaatsvindt.
4.3.2
Het bepaalde in artikel 14, eerste en tweede lid, van de VGBA brengt mee dat een accountant tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor degene die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden uitvoert voor een professionele dienst. [naam 2] heeft in zijn verweerschrift onbetwist aangevoerd dat de professionele dienst die hij voor de maatschap moest verrichten de opdracht betrof tot het samenstellen van de jaarrekening in een aantal van de gebroken boekjaren 2009/2010 tot en met 2017/2018. Daarvoor draagt hij tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid. De klachtonderdelen a, f, h, i, j en k zien niet op het samenstellen van de jaarrekening in een aantal van de gebroken boekjaren 2009/2010 tot en met 2017/2018, maar op fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap. Die werkzaamheden zijn verricht door [naam 6] en [naam 2] was daarbij niet betrokken. [naam 2] heeft betoogd dat de fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden die door [naam 6] zijn verricht los stonden van de samenstelopdracht die door hem is uitgevoerd. Daarom is hij niet tuchtrechtelijk verantwoordelijk voor de door [naam 6] verrichtte fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap. Het College volgt [naam 2] in dit betoog.
4.3.3
Wat [naam 1] hiertegen heeft ingebracht, leidt niet tot een ander oordeel. [naam 1] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat [naam 2] tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor de werkzaamheden die [naam 6] heeft verricht in het kader van de ontvlechting van de maatschap, verwezen naar een factuur van [naam 3] accountants van 1 november 2016 ten laste van de maatschap. In de specificatie van deze factuur is onder meer bij een in rekening gebracht bedrag van € 195,00 geschreven dat de betreffende werkzaamheden betrekking hadden op de jaarrekening 2015/2016 en dat [naam 6] in dat kader divers telefonisch overleg heeft gepleegd voor het opvragen van gegevens. Op de zitting heeft [naam 2] verklaard dat [naam 6] mogelijk gegevens voor het samenstellen van de jaarrekening heeft opgevraagd bij [naam 1] en zijn oudoom. Naar het oordeel van het College blijkt uit de hiervoor genoemde specificatie dat de factuur van [naam 3] accountants van 1 november 2016 betrekking had op werkzaamheden voor het samenstellen van de jaarrekening 2015/2016 en niet op de fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap die door [naam 6] zijn verricht. Zoals het College hiervoor onder 4.3.2 heeft overwogen, stonden de fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden die door [naam 6] zijn verricht in het kader van de ontvlechting van de maatschap los van de samenstelwerkzaamheden die door of onder verantwoordelijkheid van [naam 2] zijn verricht. Anders dan [naam 1] heeft betoogd, kan uit de factuur van 1 november 2016 van [naam 3] accountants niet worden afgeleid dat [naam 2] betrokken was bij de fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden die door [naam 6] in het kader van de ontvlechting van de maatschap zijn verricht. Dat [naam 6] volgens de specificatie van de betreffende factuur divers telefonisch overleg heeft gepleegd voor het opvragen van gegevens voor het samenstellen van de jaarrekening 2015/2016 door [naam 2] , brengt namelijk niet mee dat [naam 6] zijn fiscale en bedrijfseconomische advieswerkzaamheden in het kader van de ontvlechting van de maatschap onder verantwoordelijkheid van [naam 2] heeft verricht. [naam 1] heeft dat ook anderszins niet aannemelijk gemaakt.
4.4
Gelet op het voorgaande slaagt de hogerberoepsgrond van [naam 1] niet.
Conclusie
5 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
6 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wtra.

Beslissing

Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.S.J. Albers, mr. H.O. Kerkmeester en mr. M.J. Jacobs in aanwezigheid van mr. D.L. van Hal-Vermeer, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
w.g. H.S.J. Albers w.g. D.L. van Hal-Vermeer