ECLI:NL:CBB:2026:304

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
26/367
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 7:11 AwbArt. 1.6 derde lid Bhd
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake bescherming ponyveulens tegen wolven

De stichting verzocht de minister om handhavend op te treden tegen een ponyhouder die onvoldoende maatregelen zou hebben getroffen om zijn exmoorpony’s in het Aekingerzand te beschermen tegen wolven. De minister wees dit verzoek af en gaf de houder een officiële waarschuwing met een termijn om een verbeterplan in te dienen.

De stichting diende vervolgens een verzoek in voor een voorlopige voorziening om de minister op te dragen met spoed passende maatregelen te nemen. De voorzieningenrechter constateerde dat de minister de actuele situatie in de bezwaarprocedure zal heroverwegen en dat de beoordeling van het verbeterplan en een herinspectierapport nog gaande is.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de stichting geen concreet voorstel deed voor passende maatregelen en dat de kans op nieuwe wolvenaanvallen op veulens op korte termijn klein is. Daarom viel de belangenafweging in het nadeel van de stichting uit en werd het verzoek afgewezen.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 2 juli 2026 door de voorzieningenrechter M.P. Glerum.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de minister de situatie in bezwaar zal heroverwegen en passende maatregelen onderzoekt.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/367
uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] , te [vestigingsplaats 1]

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,

(gemachtigde: mr. N.M. Versteege)
met als derde partij
[naam 2], te [vestigingsplaats 2] (de houder)

Procesverloop

Op 5 april 2026 heeft de stichting de minister verzocht om handhavend op te treden tegen de houder omdat deze geen maatregelen zou hebben getroffen om de door hem gehouden exmoorpony’s in het Aekingerzand te beschermen tegen wolvenaanvallen.
Met het besluit van 21 mei 2026 (bestreden besluit) heeft de minister het verzoek van de stichting om handhavend op te treden afgewezen.
De stichting heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De zitting was op 18 juni 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 3] namens de stichting, [naam 4] en [naam 5] namens de houder en de gemachtigde van de minister, bijgestaan door [naam 6] .

Wettelijk kader

1.1
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen zijn niet bindend in een eventuele bodemprocedure.
1.2
Artikel 1.6, derde lid, van het Besluit houders van dieren (Bhd) bepaalt dat een dier, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, bescherming wordt geboden tegen slechte weersomstandigheden, gezondheidsrisico’s en zo nodig roofdieren.

Waar gaat deze zaak over?

2 In 2024 is de houder in opdracht van en in samenwerking met Staatsbosbeheer gestart met het laten begrazen door een kudde exmoorpony’s van het Aekingerzand in het Drents-Friese Wold. Dit terrein werd eerder begraasd door schapen, maar doordat de wolf zich in het Drents-Friese Wold heeft gevestigd bleek dat niet langer haalbaar. Staatsbosbeheer heeft toen een project uitgeschreven voor begrazing door grote grazers, waarbij ervan is uitgegaan dat een kudde zichzelf kan verweren tegen wolven. De houder heeft verwezen naar de Faunaschade Preventiekit Wolven (preventiekit) van BIJ12 [1] waarin ook vermeld staat dat de samenstelling van een kudde paarden bescherming kan bieden tegen wolven. Zij heeft, met inachtneming van de beschikbare informatie, een kudde samengesteld met meerdere merries en hengsten, van verschillende leeftijden en met een brede genetische diversiteit. Met Staatsbosbeheer heeft de houder afgesproken om drie jaar de tijd te nemen om een wolfweerbare kudde exmoorpony’s te laten ontstaan met een succesvolle reproductie.
3.1
De stichting heeft op 4 april 2025 een handhavingsverzoek ingediend bij de minister. Naar aanleiding van dit verzoek hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op 3 juni 2025 bij de houder een inspectie verricht. Ook hebben de inspecteurs de taxatierapporten opgevraagd die in opdracht van BIJ12 zijn opgemaakt naar aanleiding van de schade bij de ponyhouder door vermoedelijke wolvenaanvallen. Daarnaast is bij de houder het logboek over de kudde in het Aekingerzand opgevraagd. Daaruit blijkt dat de houder in 2023 en 2024 vier schademeldingen heeft gedaan bij BIJ12. Ook blijkt daaruit dat in 2024 drie veulens geboren zijn die alle drie zijn verdwenen. In 2025 zijn er acht veulens geboren, waarvan er vijf zijn verdwenen. Verder hebben de inspecteurs geconstateerd dat de pony’s niet door middel van wolfwerende rasters worden beschermd. Over de bescherming door de kudde zelf hebben de inspecteurs opgemerkt dat de preventiekit hierover slechts zeer beknopt informatie geeft. Op basis van het voorgaande heeft de minister geconcludeerd dat er sprake is van een structurele overtreding van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd. De houder heeft onvoldoende inspanningen verricht om de exmoorpony’s in het Aekingerzand te beschermen tegen de wolf. Een structurele overtreding is volgens het Specifiek interventiebeleid dierenwelzijn een zware overtreding. Omdat er sprake is van bijzondere omstandigheden heeft de minister er in afwijking van het interventiebeleid voor gekozen om de houder op 23 januari 2026 een officiële waarschuwing te geven. De bijzondere omstandigheden houden in dat de norm van artikel 1.6, derde lid, van het Bhd een open norm is en dat de NVWA nog niet eerder handhavend heeft opgetreden vanwege het bieden van onvoldoende bescherming tegen wolven aan dieren in een natuurgebied. In de officiële waarschuwing is aan de houder opgedragen om voor 1 juni 2026 een voldoende onderbouwd evaluatie- en verbeterplan in te dienen bij de inspecteurs van de NVWA. Daarbij moest hij ook de “Gids voor goede praktijken voor natuurbegrazing en bescherming tegen roofdieren zoals de wolf” betrekken. Deze Gids is nog in ontwikkeling en zal naar verwachting in mei 2026 beschikbaar zijn. Omdat de houder een officiële waarschuwing heeft gekregen, heeft de minister het (eerdere) handhavingsverzoek van de stichting op 23 januari 2026 afgewezen.
3.2
Op 5 april 2026 heeft de stichting opnieuw een handhavingsverzoek ingediend, omdat er in het natuurgebied weer veulens zijn geboren en verdwenen. Volgens de stichting zijn de pasgeboren veulens naar alle waarschijnlijkheid ten prooi gevallen aan wolven. Met het bestreden besluit heeft de minister het verzoek afgewezen op grond van de Beleidsregel prioriteringsbeleid handhavingsverzoeken NVWA. Omdat de termijn die aan de houder was gegeven om maatregelen te treffen op het moment van het nemen van het bestreden besluit nog niet was verstreken, was het toen niet mogelijk om vervolgstappen te nemen. Handhaving zou dan volgens de minister niet doeltreffend zijn geweest.
4. De stichting heeft de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen en een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat de minister hangende de bezwaarprocedure de actuele situatie beoordeelt, waarbij niet langer wordt uitgegaan van de inmiddels verstreken hersteltermijn van 1 juni 2026. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om de minister op te dragen om overeenkomstig zijn wettelijke handhavingstaak met spoed passende maatregelen te nemen om verder ernstig dierenleed te voorkomen.
5. De minister heeft toegelicht dat de houder op 26 mei 2026 een plan heeft ingediend en dat naar aanleiding daarvan op 28 mei 2026 een herinspectie bij en een gesprek met de houder heeft plaatsgevonden. De minister is nog bezig met de inhoudelijke beoordeling daarvan.
Beoordeling van het verzoek
6.1
Wat het eerste deel van het verzoek betreft, namelijk dat de minister hangende de bezwaarprocedure de actuele situatie beoordeelt, stelt de voorzieningenrechter vast dat daarin al wordt voorzien. Op grond van artikel 7:11 van Pro de Awb vindt er in de bezwaarprocedure een volledige heroverweging plaats. De minister heeft op de zitting ook bevestigd dat in bezwaar de actuele situatie beoordeeld zal worden. Daarbij heeft hij gesteld dat hij van plan is om binnen de wettelijke termijn op 2 juli 2026 op het bezwaar te beslissen, maar hij heeft ook te kennen gegeven dat het vanwege de zorgvuldigheid misschien nodig is om die termijn met zes weken te verlengen tot 13 augustus 2026.
6.2
Over blijft dus het verzoek van de stichting om de minister op te dragen met spoed passende maatregelen te nemen. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de NVWA op dit moment bezig is om het plan dat de houder naar aanleiding van de officiële waarschuwing heeft ingediend en de bevindingen van de herinspectie te beoordelen. De uitkomst van deze beoordeling zal de minister vervolgens betrekken bij de heroverweging van het bezwaar van de stichting. Omdat de stichting geen partij is bij de procedure rondom de officiële waarschuwing, beschikt de voorzieningenrechter nu niet over het plan van de houder of het rapport van bevindingen van de herinspectie. Dat plan en het rapport zijn van belang om een beoordeling te kunnen maken of het nodig is om handhavingsmaatregelen te nemen en, als het nodig is om maatregelen te nemen, welke dan passend zijn. De voorzieningenrechter kan daarom op dit moment niet vooruitlopen op de uitkomst van de bezwaarprocedure en zal volstaan met het maken van een belangenafweging.
6.3
Bij die belangenafweging stelt de voorzieningenrechter vast dat de stichting geen concreet verzoek heeft gedaan. Zij wil dat de minister passende maatregelen neemt, maar heeft niet gespecificeerd wat zij onder passend verstaat. Bovendien is de NVWA, zoals hiervoor vermeld, op dit moment bezig om te beoordelen of het nodig is om maatregelen te nemen en zo ja, welke maatregelen dan passend zijn. De voorzieningenrechter begrijpt de zorgen van de stichting over de bescherming van pasgeboren veulens in het Aekingerzand. Op de zitting is besproken dat wolven tot nu toe alleen pasgeboren veulens hebben gedood. De houder heeft bevestigd dat dit jaar bij de kudde exmoorpony’s in het Aekingerzand naar verwachting geen veulens meer worden geboren. De kans dat op korte termijn wolven pasgeboren veulens aanvallen is dan ook klein. De voorzieningenrechter ziet daarom niet in waarom de stichting op dit moment de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan afwachten. Dit betekent dat de belangenafweging in het nadeel van de stichting uitvalt en dat haar verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, zal worden afgewezen.
7 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Glerum, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
w.g. M.P. Glerum w.g. A.A. Dijk
Afschrift verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.BIJ12 is de coördinator namens de gezamenlijke provincies van de monitoring van de wolvenpopulatie en ook uitvoerder van de afhandeling van wolvenschade op vee