ECLI:NL:CBB:2026:327

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
26/422 en 26/423
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:104 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring College van Beroep voor het Bedrijfsleven in hoger beroep en voorlopige voorziening tegen beslissing voorzieningenrechter rechtbank Rotterdam

In deze zaak heeft de staatssecretaris van Economische Zaken hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, waarin werd bepaald dat bepaalde stukken aan derde partijen verstrekt moeten worden. De staatssecretaris verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van het College heeft geoordeeld dat het College kennelijk onbevoegd is om op het hoger beroep te beslissen, omdat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen de beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank geen hoger beroep openstaat. De staatssecretaris voerde aan dat sprake zou zijn van een ernstige schending van de goede procesorde en fundamentele rechtsbeginselen, waardoor het appelverbod doorbroken zou moeten worden.

De voorzieningenrechter heeft dit betoog verworpen. Er is geen sprake van schending van het recht op een eerlijk en onafhankelijk proces of van hoor en wederhoor. De staatssecretaris heeft voldoende gelegenheid gehad om zijn standpunt naar voren te brengen. Het College verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 26/422 (hoger beroep) en 26/423 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het hoger beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

de staatssecretaris van Economische Zaken,

(gemachtigden: mr. A.J. Boorsma, mr. M. Batting en mr. A. de Heer)
en

Solvinity Group B.V., te Amsterdam

Host Lux S.à r.l., te Luxemburg
(gemachtigde: mr. W. Knibbeler)
met als derde partij
Stichting Human Rights in Finance.EU, te Amsterdam
(gemachtigde: [naam] )

Procesverloop

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft op 2 juli 2026 een beslissing genomen als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (beslissing).
De staatssecretaris heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

Inleiding
1.1
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van de staatssecretaris tegen de beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank van 2 juli 2026, waarin hij, samengevat weergegeven, heeft bepaald dat bepaalde stukken waarvan de staatssecretaris vindt dat die niet aan de aan het geding deelnemende derde partijen mogen worden verstrekt, alsnog moeten worden verstrekt.
1.2
Op grond van de artikelen 8:81, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien bij het College hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van het hoger beroep. De voorzieningenrechter zal daarom, met toepassing van de artikelen 8:86, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
1.3
Omdat het College (kennelijk) onbevoegd is om op het hoger beroep te beslissen, en de voorzieningenrechter daarmee ook (kennelijk) onbevoegd is een voorlopige voorziening te treffen, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, in samenhang met artikel 8:54, eerste lid, in relatie tot artikel 8:108, eerste lid, van de Awb maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
De beoordeling door de voorzieningenrechter
2.1
Tegen de beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam als bedoeld in artikel 8:29, derde lid, van de Awb kan, gelet op artikel 8:104, tweede lid, aanhef en onder d, en derde lid aanhef en onder b, van de Awb, geen (afzonderlijk) hoger beroep worden ingesteld.
2.2
Ondanks dit appelverbod kan (de voorzieningenrechter van) het College zich toch bevoegd achten om kennis te nemen van het hoger beroep en verzoek als moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van de aangevallen beslissing sprake is geweest van zodanig ernstige schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen dat niet gesproken kan worden van een eerlijk en onafhankelijk proces [1] . De staatssecretaris doet een beroep op deze mogelijkheid van doorbreking van het appelverbod.
2.3
De staatssecretaris voert daarvoor aan dat geen sprake is van een eerlijk en onafhankelijk proces omdat sprake is van een zeer ernstige schending van de goede procesorde. Volgens de staatssecretaris heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank zonder enige vorm van hoor en wederhoor toe te passen, aanleiding gezien om andere partijen in de gelegenheid te stellen deel te nemen aan de procedure. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank niet voldoende blijk gegeven van de zeer gevoelige aard van de stukken. Het gaat in de kern om de veiligheid van de staat, diplomatieke betrekkingen en de vertrouwelijkheid van het onderzoek. De voorzieningenrechter van de rechtbank is ongemotiveerd voorbij gegaan aan de zwaarwegende belangen van de staatssecretaris. Doordat het dictum van de beslissing van de voorzieningenrechter van de rechtbank een expliciete opdracht aan verzoeksters bij de rechtbank om een partijversie van het verzoekschrift en de bijlagen te verstrekken aan de derde partijen, wordt het recht van de staatssecretaris om te volharden in de weigering tot overlegging van deze stukken geschonden. In wezen wordt de bescherming die de staatssecretaris aan artikel 8:29 van Pro de Awb wenst te ontlenen, volledig zinloos gemaakt. Daarnaast is een oordeel van de voorzieningenrechter van het College van groot belang omdat de verstrekking van de stukken aan de derde partijen direct gevolg heeft voor de verdere inrichting van de procedure. Zo zullen op de openbare zitting deze stukken worden besproken en de inhoud zal dus worden besproken terwijl daar ook de derden aanwezig zullen zijn.
2.4
De door de staatssecretaris genoemde omstandigheden leveren geen schending op van fundamentele rechtsbeginselen zoals het recht op een eerlijk en onafhankelijk proces of strijd met de eisen van een goede procesorde.
2.5
Uit de beslissing volgt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank, nadat hij de beslissing had genomen om derde partijen deel te laten nemen aan het geding en alvorens een beslissing te nemen over het 8:29-verzoek, de staatssecretaris in de gelegenheid heeft gesteld om hierop te reageren en zijn standpunt naar voren te brengen. De staatssecretaris heeft tijdens de regiezitting mondeling kunnen reageren en daarnaast ook schriftelijk. Van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake. Dat de staatssecretaris het niet eens is met het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen en meent dat sprake is van een onjuiste inhoudelijke beoordeling, is - wat daar verder ook van zij - geen grond voor doorbreking van het appelverbod. Als dat wel zo zou zijn, dan zou dat neerkomen op een verkapt hoger beroep dat de wetgever juist niet heeft gewild.
Slotsom
3 Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het College kennelijk onbevoegd verklaren om van het hoger beroep kennis te nemen. Dit betekent ook dat de voorzieningenrechter onbevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het College onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep;
  • verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Schoneveld, in aanwezigheid van mr. F. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.
w.g. M. Schoneveld w.g. F. Willems

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 mei 2022, ECLI:NL:CBB:2022:250