ECLI:NL:CBB:2026:351

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
AWB 24/231
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 5.8 Regeling houders van dierenArt. 15 Verordening (EG) 1099/2009Bijlage III punt 1.6 Verordening (EG) 1099/2009Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na intrekking bestuurlijke boete en toekenning proceskosten en schadevergoeding

De zaak betreft een bestuurlijke boete van €2.500,- opgelegd aan een slachterij wegens onvoldoende drinkwater voor schapen na inspectie door de NVWA in december 2020. De staatssecretaris handhaafde aanvankelijk de boete, maar na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd de boete deels gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De slachterij ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Vervolgens trok de staatssecretaris op 29 juni 2026 de beslissing op bezwaar in en herzag deze, waarbij de boete werd ingetrokken vanwege gewijzigd beleid dat in het voordeel van de slachterij uitviel. De slachterij behield haar hoger beroep, maar had geen inhoudelijk belang meer bij de behandeling.

Het College verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de slachterij geen belang meer had. Daarnaast veroordeelde het College de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €2.335,-, het betaalde griffierecht van €559,- en een schadevergoeding van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. De bestuurlijke fase werd als geheel verantwoordelijk gehouden voor de termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het hoger beroep van de slachterij is niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris is veroordeeld tot betaling van proceskosten, griffierecht en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/231

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 op het hoger beroep van

[naam] B.V., te [vestigingsplaats] (slachterij)

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2024, kenmerk ROT 21/6364, in het geding tussen
de slachterij
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (voorheen de minister)
(gemachtigde: mr. S.M. Geerding)

Procesverloop in hoger beroep

De slachterij heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:386).
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
De staatssecretaris heeft met het besluit van 29 juni 2026 de beslissing op bezwaar ingetrokken en vervangen.
Partijen hebben te kennen gegeven af te zien van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft.

Waar gaat deze zaak over

1.1
Op 1 december 2020 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie uitgevoerd bij de schapenstal van de slachterij. In het rapport van bevindingen van 2 december 2020 is opgenomen dat de toezichthouders in het eerste hok 16 schapen aantroffen die geen toegang hadden tot voldoende drinkwater.
1.2
Naar aanleiding van het rapport van bevindingen heeft de staatssecretaris bij besluit van 6 augustus 2021 aan de slachterij een bestuurlijke boete (boetebesluit) opgelegd van € 2.500,- omdat de schapen, die na het uitladen niet onmiddellijk naar de slachtplaats werden gebracht, niet via adequate voorzieningen over voldoende drinkwater konden beschikken. Dit is volgens de staatssecretaris een overtreding van artikel 6.2, eerste lid van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid en Bijlage III, punt 1.6, van Verordening (EG) 1099/2009 van de raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden.
1.3
Bij het besluit van 19 november 2021 (beslissing op bezwaar) heeft de staatssecretaris het bezwaar van de slachterij tegen het boetebesluit ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.
1.4
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, de slachterij niet gevolgd in haar betoog tegen de beslissing op bezwaar. Wel heeft de rechtbank de boete met 10% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft daarom de beslissing op bezwaar vernietigd wat betreft de hoogte van de boete, en ook het boetebesluit herroepen voor zover het hoogte van de boete betreft. Daarnaast heeft de rechtbank de Staat veroordeeld in de proceskosten en griffierechten van de slachterij in beroep. Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft de slachterij hoger beroep ingesteld.
1.5
Met het besluit van 29 juni 2026 (herziene beslissing op bezwaar) heeft de staatssecretaris de beslissing op bezwaar ingetrokken en vervangen. In de herziene beslissing op bezwaar heeft de staatssecretaris de bezwaren van de slachterij alsnog gegrond verklaard en het boetebesluit ingetrokken, omdat het Specifiek interventiebeleid Doden van gehouden dieren (het beleid) inmiddels in het voordeel van de slachterij is gewijzigd, en toepassing van het meest gunstige beleid betekent dat de slachterij geen herhaalde overtreding binnen de daarvoor geldende termijn heeft begaan. Daarmee kan volgens de staatssecretaris het boetebesluit niet langer in stand blijven. Daarnaast heeft de staatssecretaris bepaald dat, voor zover de slachterij de boete al heeft betaald, zij het boetebedrag met wettelijke rente terugkrijgt. Ook heeft de staatssecretaris de slachterij een proceskostenvergoeding toegekend voor de proceskosten in bezwaar.
1.6
Naar aanleiding van de herziene beslissing op bezwaar heeft het College de slachterij gevraagd of zij haar hoger beroep wil intrekken. De slachterij heeft het hoger beroep gehandhaafd en gezegd dat het hoger beroep alleen wordt ingetrokken wanneer de staatssecretaris verklaart de proceskosten en griffierechten met rente te voldoen. De slachterij heeft verder niet aangegeven welk inhoudelijk belang zij nog heeft bij de behandeling van haar hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

2.1
Met de herziene beslissing op bezwaar waarin het boetebesluit wordt ingetrokken, komt de staatssecretaris geheel tegemoet aan de bezwaren van de slachterij. Daarom heeft de slachterij geen belang meer bij het oordeel van het College over de uitspraak van de rechtbank. Het College zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. In dat kader wijst het College er de gemachtigde van de slachterij ter voorlichting op, dat het bij een intrekking van het (hoger) beroep, omdat het bestuursorgaan aan de indiener is tegemoetgekomen, mogelijk is om tegelijk met de intrekking een verzoek om een proceskostenvergoeding te doen waarop afzonderlijk uitspraak kan worden gedaan (zie artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht). Dit verzoek en de uitspraak kan zich ook uitstrekken tot een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (zie onder andere de uitspraak van het College van 23 april 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:296, onder 2).
2.2
Het College zal de staatssecretaris veroordelen in de door de slachterij gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
2.3
De staatssecretaris moet ook het door de slachterij betaalde griffierecht in hoger beroep van € 559,- vergoeden.
2.4
De slachterij heeft verzocht om de boete te matigen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat de staatssecretaris het boetebesluit met de herziene beslissing op bezwaar heeft ingetrokken, leest het College in het matigingsverzoek een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarover overweegt het College als volgt.
2.5
In bestraffende zaken met een procedure in drie instanties als hier aan de orde, is de redelijke termijn in beginsel overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. De redelijke termijn begint op het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het voornemen tot boeteoplegging van 29 juni 2021. Op het moment van deze uitspraak zijn er vijf jaar en bijna twee maanden verstreken sinds het voornemen tot boeteoplegging. Nu het boetebesluit is ingetrokken, zodat matiging van de boete niet aan de orde kan zijn, bedraagt de vergoeding van immateriële schade € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, naar boven afgerond. Dit betekent dat de slachterij recht heeft op € 1.500,- schadevergoeding.
2.6
Het College stelt vast dat de bestuurlijke fase pas is geëindigd met de herziene beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de termijnoverschrijding in zijn geheel is toe te rekenen aan de bestuurlijke fase. Gelet hierop zal de staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan de slachterij tot een bedrag van € 1.500,-.
2.7
De staatssecretaris moet aan de slachterij naast de in 2.2 vermelde proceskosten, ook de proceskosten vergoeden die zij heeft gemaakt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding. Deze kosten heeft het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,- (1 punt voor het verzoek, met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5) voor verleende rechtsbijstand. Dat betekent dat de te vergoeden proceskosten in totaal € 2.335,- bedragen.

Beslissing

Het College verklaart
  • het hoger beroep niet-ontvankelijk.
  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan de slachterij;
  • draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 559,- voor het hoger beroep aan de slachterij te vergoeden;
  • veroordeelt de staatssecretaris tot betaling aan de slachterij van een schadevergoeding van € 1.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, mr. T. Pavićević en mr. M.J. Jacobs, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
w.g. D. Brugman w.g. E.M.M.A. Driessen