ECLI:NL:CBB:2026:352
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing te late GLB-aanvraag maatschap wegens ontbreken overmacht en onbillijkheid
De maatschap had zich tijdig aangemeld voor GLB-steun 2023, maar diende de definitieve aanvraag te laat in. Zij stelde dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de aanvraag was ingediend en voerde overmacht aan vanwege wijzigingen door RVO in de Gecombineerde opgave. De minister wees de melding overmacht af en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Het College oordeelde dat de situatie van de maatschap niet valt onder de uitzonderingen van overmacht zoals bedoeld in de Europese Verordening 2021/2116. De maatschap had meerdere herinneringen ontvangen en had tijdig navraag kunnen doen bij RVO, maar deed dit niet. Het vasthouden aan de uiterste aanvraagdatum leidt niet tot een onbillijkheid van overwegende aard, ook niet gelet op de hardheidsclausule in de Uitvoeringsregeling GLB 2023.
De maatschap voerde tevens strijd met het evenredigheidsbeginsel aan en verwees naar toezeggingen van coulance door de minister in een kamerbrief. Het College stelde vast dat deze coulance niet van toepassing is op de huidige situatie, omdat er geen sanctie wordt opgelegd maar een termijnoverschrijding wordt beoordeeld.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door mr. M.P. Glerum namens het College van Beroep voor het bedrijfsleven op 28 juli 2026.
Uitkomst: Het beroep van de maatschap tegen de afwijzing van de te late GLB-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van overmacht en onbillijkheid.