ECLI:NL:CBB:2026:354

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
25/116 en 25/234
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.25f Wet luchtvaartArt. 8.1b Wet luchtvaartArt. 8.25da Wet luchtvaartArt. 8.25db Wet luchtvaartArt. 8.25d Wet luchtvaart
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring aanvraag tarieven en voorwaarden Schiphol 2025-2027

Vereniging Transport en Logistiek Nederland (TLN) en Vereniging Fenex hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) dat hun aanvragen tot toetsing van de tarieven en voorwaarden voor Schiphol voor de periode 2025-2027 niet-ontvankelijk zijn verklaard. De ACM vond dat TLN en Fenex geen representatieve organisaties van gebruikers zijn in de zin van de Wet luchtvaart.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft geoordeeld dat TLN wel een representatieve organisatie is, omdat zij de belangen behartigt van gebruikers die luchtvrachtvervangend wegvervoer uitvoeren en dat de ACM ten onrechte TLN niet-ontvankelijk heeft verklaard. Fenex is volgens het College geen representatieve organisatie omdat niet is gebleken dat zij de belangen van gebruikers vertegenwoordigt. De uitleg van het begrip 'gebruiker' in de Wet luchtvaart en Richtlijn 2009/12/EG is beperkt tot luchtvaartmaatschappijen en personen die vluchten uitvoeren, niet tot gebruikers van luchtvaartmaatschappijen zoals expediteurs of wegvervoerders.

Verder oordeelt het College dat de ICAO Policies geen bindende verdragsrechtelijke regels zijn die de ACM verplichten Fenex toe te laten tot de aanvraagprocedure. Het beroep van TLN wordt gegrond verklaard, dat van Fenex ongegrond. Het College draagt de ACM op binnen drie weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van TLN en vergoedt het betaalde griffierecht aan TLN.

Uitkomst: Het beroep van TLN wordt gegrond verklaard en dat van Fenex ongegrond; ACM moet nieuw besluit nemen over aanvraag TLN.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummers: 25/116 en 25/234

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen

Vereniging Transport en Logistiek Nederland, te Zoetermeer (TLN), en

Vereniging Fenex, te Zoetermeer (Fenex)
(gemachtigde: J.J.L. Sprenger)
en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM)

(gemachtigden: mr. A. Bouman en mr. L.M.F. Hummel)
met als derde partij
Royal Schiphol Group N.V., te Schiphol (Schiphol)
(gemachtigden: mr. M.L. de Vries Lentsch en mr. B. de Rijke)

Procesverloop in beroep

TLN en Fenex hebben tegen het besluit van 13 december 2024 beroep ingesteld.
De ACM heeft een verweerschrift ingediend.
Schiphol heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven.
Op 21 mei 2026 heeft een regiezitting plaatsgevonden.
Op de regiezitting hebben partijen verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om op een zitting te worden gehoord. Het College heeft vervolgens bepaald dat een zitting achterwege blijft.

Inleiding

1. Schiphol heeft op 31 oktober 2024 mededeling gedaan van de vaststelling van de tarieven en voorwaarden voor de tariefperiode 2025-2027 (tarieven en voorwaarden 2025-2027).
2 TLN en Fenex hebben, samen met de vereniging Air Cargo Nederland (ACN), op grond van artikel 8.25f, eerste lid, van de Wet luchtvaart bij de ACM een aanvraag ingediend tot vaststelling of de tarieven en voorwaarden 2025-2027 in strijd zijn met de bij of krachtens de Wet luchtvaart gestelde regels.
3 Met het besluit van 13 december 2024 heeft de ACM de aanvraag van TLN en Fenex niet-ontvankelijk verklaard. De aanvraag van ACN heeft de ACM afgewezen.
4 Op 27 mei 2025 heeft de ACM een (inhoudelijk) besluit genomen op de aanvragen van meerdere andere partijen op grond van artikel 8.25f, eerste lid, van de Wet luchtvaart. Een aantal partijen, waaronder niet ACN, hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij het College. Deze zaken staan geagendeerd op de zitting van 3 november 2026.
Op de regiezitting van 21 mei 2026 zijn afspraken gemaakt om te kunnen bereiken dat, in het geval dat het beroep van TLN en/of Fenex gegrond zou zijn, het daarna te nemen inhoudelijke besluit van de ACM op de aanvraag van TLN en/of Fenex ook op de zitting van 3 november 2026 kan worden behandeld.

Wettelijk kader

5 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling van het beroep

6 Aan de orde is de vraag of de ACM de aanvragen van TLN en Fenex terecht
niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College is van oordeel dat de ACM de aanvraag van TLN ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en de aanvraag van Fenex terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het College licht dit hieronder toe.
Omschrijving van het geschil
7.1
Op grond van artikel 8.25f, eerste lid, van de Wet luchtvaart kan een gebruiker of een representatieve organisatie een aanvraag bij de ACM indienen tot vaststelling of tarieven en voorwaarden in strijd zijn met de bij of krachtens de Wet luchtvaart gestelde regels.
7.2
TLN is de brancheorganisatie voor de transport- en logistieksector in Nederland en Europa. Fenex is de brancheorganisatie voor expediteurs en logistieke dienstverleners.
7.3
De ACM heeft de aanvragen niet-ontvankelijk verklaard, omdat TLN en Fenex volgens de ACM geen representatieve organisaties van gebruikers zijn.
7.4
TLN en Fenex hebben tegen het bestreden besluit meerdere gronden aangevoerd. Volgens TLN en Fenex zijn zij representatieve organisaties van gebruikers. De ACM legt het begrip gebruiker verkeerd uit. Ook heeft de ACM ten onrechte geen rekening gehouden met het bestaan van de Dutch Express Organisation (DEA). Verder moeten wegvervoerders de mogelijkheid hebben om te reageren op de tarieven van luchthaven Schiphol, omdat zij luchtvrachtvervangend wegvervoer uitvoeren. TLN is de meest logische representatieve organisatie voor luchtvrachtvervangend wegvervoer. Ten slotte voeren TLN en Fenex aan dat de ACM op grond van de Policies on charges for airports and air navigation services van de International Civil Aviation Organization (ICAO Policies) gehouden was hun aanvraag in behandeling te nemen.
7.5
Omdat Schiphol het verweer van de ACM heeft onderschreven, geeft het College hieronder het standpunt van Schiphol alleen weer als daartoe aanleiding is.
De uitleg van het begrip ‘gebruiker’
8.1
Een gebruiker is in artikel 8.1b, eerste lid, van de Wet luchtvaart gedefinieerd als een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij.
8.2
TLN en Fenex voeren aan dat het begrip ‘gebruiker’ breder moet worden uitgelegd: het gaat niet alleen om luchtvaartmaatschappijen. Ook gebruikers van luchtvaartmaatschappijen zijn gebruikers in de zin van de Wet luchtvaart. Dit volgt uit de definitie van luchthavengebruiker in artikel 2, derde lid, van Richtlijn 2009/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden (Richtlijn 2009/12/EG). TLN en Fenex wijzen op de Engelse en Duitse versie van deze bepaling. Ook degenen die verantwoordelijk zijn voor het vervoer door de lucht zijn luchthavengebruiker. Fenex betoogt ten slotte dat onder luchthavengebruiker ook verstaan moet worden diegenen die vracht door de lucht laten vervoeren door een luchtvaartmaatschappij (“doen vervoerders” of expediteurs).
8.3
De ACM stelt zich op het standpunt dat uit de opzet en doelstelling van Richtlijn 2009/12/EG duidelijk is dat gebruikers alleen luchtvaartmaatschappijen en andere (rechts)personen die vluchten uitvoeren zijn. Uit de bepalingen van de richtlijn volgt dat (luchthaven)gebruikers degenen zijn die luchthavengelden betalen. De ACM wijst op de Nederlandse, Franse en Italiaanse tekst van artikel 2, derde lid, van Richtlijn 2009/12/EG. Ook volgt dit volgens de ACM uit de opzet en doelstelling van Richtlijn 2009/12/EG.
8.4
Het College stelt vast dat in alle genoemde taalversies van Richtlijn 2009/12/EG een (rechts)persoon alleen kan worden gekwalificeerd als ‘luchthavengebruiker’ als deze (passagiers, post en/of) vracht door de lucht vervoert.
8.5
Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) kan de in een van de taalversies van een Unierechtelijke bepaling gebruikte formulering niet dienen als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling noch voorrang hebben boven de andere taalversies. Bepalingen van het Unierecht moeten uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. Wanneer er verschillen zijn tussen de verschillende taalversies van een Unierechtelijke tekst, moet bij de uitlegging van de betreffende bepaling dus worden gelet op de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van Justitie van 13 mei 2026, Korfin en Sempiola Invest, punt 33, ECLI:EU:C:2026:401).
8.6
Met de ACM is het College van oordeel dat uit de algemene opzet en doelstelling van Richtlijn 2009/12/EG volgt dat onder ‘luchthavengebruikers’ alleen degenen moeten worden begrepen die luchthavengelden betalen. Dat zijn de luchtvaartmaatschappijen en andere (rechts)personen die vluchten uitvoeren, niet de gebruikers van luchtvaartmaatschappijen. Het College licht dat hierna toe.
8.7
Volgens artikel 1, eerste lid, van Richtlijn 2009/12/EG bevatten de in deze richtlijn opgenomen bepalingen beginselen voor het heffen van luchthavengelden. De richtlijn gaat dus over het heffen van luchthavengelden. Er zijn beginselen opgenomen als het discriminatieverbod (artikel 3), consultatie (artikel 6) en transparantie (artikel 7) die bij het heffen van luchthavengelden tegenover luchthavengebruikers in acht moeten worden genomen. Ook is er een bepaling over het vaststellen van het niveau van dienstverlening waar de luchthavengebruikers recht op hebben in ruil voor de luchthavengelden (artikel 9). De richtlijn kent daarnaast een verplichting voor de luchthavengebruikers, namelijk om vóór iedere consultatie informatie te verstrekken over met name de prognoses betreffende de omvang van zijn verkeer en vervoer alsook de samenstelling en het gebruik van zijn vloot, zijn ontwikkelingsprojecten en zijn behoeften op de betrokken luchthaven (artikel 7, tweede lid). Al deze bepalingen wijzen er op dat luchthavengebruikers degenen zijn die luchthavengelden betalen. ‘Luchthavengelden’ is in artikel 2, vierde lid, van Richtlijn 2009/12/EG gedefinieerd als een heffing die wordt geïnd ten gunste van de luchthavenbeheerder en die moet worden betaald door de luchthavengebruikers voor het gebruik van de faciliteiten en diensten die exclusief door de luchthavenbeheerder worden aangeboden en die verband houden met het landen, het opstijgen, de verlichting en het parkeren van luchtvaartuigen en de verwerking van passagiers en vracht. De luchtvaartmaatschappijen maken gebruik van deze diensten. De gebruikers van luchtvaartmaatschappijen doen dit niet. Ten slotte is de doelstelling van Richtlijn 2009/12/EG om een gemeenschappelijk kader vast te stellen voor het reguleren van de essentiële kenmerken van luchthavengelden en de manier waarop zij worden vastgesteld, alsook van de basisvereisten in de relatie tussen de luchthavenbeheerders en de luchthavengebruikers, teneinde te voorkomen dat deze beheerders zich ten opzichte van deze gebruikers in een bevoorrechte positie bevinden met het daaruit voortvloeiende risico van misbruik (zie overweging 2 van Richtlijn 2009/12/EG en het arrest van het Hof van Justitie van 12 februari 2026, WizzAir Hungary, punt 33, ECLI:EU:C:2026:92). Ook hier wordt gedoeld op degene die de luchthavengelden betaalt. Dat is degene die een relatie heeft met de luchthavenbeheerder. De gebruiker van een luchtvaartmaatschappij heeft geen relatie met de luchthavenbeheerder, maar met de luchtvaartmaatschappij.
8.8
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van het College de uitleg van het begrip ‘luchthavengebruiker’ in Richtlijn 2009/12/EG zo evident dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, zodat het College geen aanleiding ziet tot het stellen van prejudiciële vragen hierover aan het Hof van Justitie.
8.9
De conclusie is dat er geen grond is voor de door TLN en Fenex voorgestane uitleg van het begrip gebruiker. Expediteurs zijn geen gebruikers in de zin van de Wet luchtvaart en wegvervoerders – voor zover TLN dat beoogt te betogen – evenmin.
Zijn TLN en Fenex representatieve organisaties?
9.1
In artikel 8.1b, eerste lid, van de Wet luchtvaart is een representatieve organisatie gedefinieerd als een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van gebruikers. Er is geen ministeriële regeling vastgesteld waarin rechtspersonen zijn aangewezen als representatieve organisatie in de zin van de Wet luchtvaart. Dat neemt niet weg dat uit artikel 6, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/12/EG volgt dat luchthavengebruikers of de vertegenwoordigers of verenigingen van luchthavengebruikers geconsulteerd moeten worden bij wijzigingen van het systeem of het niveau van luchthavengelden. Dat betekent dat bij de vraag of er sprake is van een representatieve organisatie artikel 6, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/12/EG in acht moet worden genomen
9.2
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat TLN en Fenex geen representatieve organisatie in de zin van de Wet luchtvaart voor zover zij de belangen vertegenwoordigen van leden die wegvervoerders en expediteurs zijn.
9.3
Volgens TLN en Fenex heeft de ACM bij de vaststelling of zij gebruikers vertegenwoordigen ten onrechte geen rekening gehouden met het bestaan van DEA. DEA is een netwerk van TLN, waarin koeriers- en expressdienstverleners zijn verenigd. Leden van DEA zijn DHL, FedEX en UPS. Zij maken met eigen vliegtuigen gebruik van Schiphol om vluchten uit te voeren voor luchtvracht. TLN is het bureau en de organisatorische eenheid achter DEA. DHL, FedEx en UPS zijn ook lid van Fenex.
9.4
De ACM stelt zich op het standpunt dat de aanvragen niet specifiek zijn ingediend namens DEA. De ACM heeft verder meegewogen dat alle leden van DEA zijn vertegenwoordigd in de aanvraagprocedure bij de ACM. DHL heeft een eigen aanvraag ingediend en FedEX en UPS zijn beide aangesloten bij de ACN.
9.5
Schiphol heeft in haar reactie gewezen op de criteria die in de memorie van toelichting bij de Wet luchtvaart zijn genoemd waaraan een representatieve organisatie moet voldoen. TLN en Fenex hebben de aanvraag ingediend en uit de doelomschrijvingen van TLN en Fenex volgt niet dat zij in het leven is geroepen om de belangen van DHL, FedEX en UPS te behartigen met betrekking tot Schiphol.
9.6
Voor de vraag of een organisatie een representatieve organisatie is in de zin van Wet luchtvaart is niet bepalend wat hierover in de aanvraag is opgenomen. Een organisatie kan ook na indiening van de aanvraag (nader) onderbouwen waarom zij als representatieve organisatie moet worden aangemerkt.
9.7
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2010/11, 32519, nr. 3, blz. 2) bij (wijziging van) artikel 8.1b is over ‘representatieve organisatie’ het volgende opgemerkt:
"De term gebruikers wordt nu verbreed tot gebruikers en/of representatieve organisaties van gebruikers (zoals BARIN, SAOC en IATA). Daarmee kan een dergelijke representatieve organisatie van gebruikers ook als belanghebbende worden aangemerkt in het geval van klachten.
Een representatieve organisatie van gebruikers is een groep met een vaste structuur, welke in het leven is geroepen om de gemeenschappelijke belangen van de betrokken gebruikers te vertegenwoordigen. In de doelomschrijving van deze organisatie dient nadrukkelijk aangegeven te worden dat de organisatie de belangen van de bij haar aangesloten gebruikers behartigt met betrekking tot de betreffende luchthaven. De organisatie dient meerdere gebruikers van een luchthaven te vertegenwoordigen en over voldoende inkomsten te beschikken om haar taken naar behoren uit te kunnen voeren. Voorts dient de organisatie haar beleid te baseren op de wensen van de bij haar aangesloten gebruikers en dient daarom te beschikken over een bureau voor de beleidsvorming en operationalisering van het beleid en een systeem van consultatie van haar leden over de beleidsonderwerpen.
Een representatieve organisatie van gebruikers moet desgevraagd aan kunnen tonen dat zij (nog) aan de hier gestelde criteria voldoet."
9.8
De in de toelichting genoemde criteria zijn niet in de Wet luchtvaart vastgelegd. Anders dan Schiphol lijkt te betogen, zijn de criteria dus niet bindend. Omdat uit de toelichting blijkt dat ook een grote internationaal opererende organisatie een representatieve organisatie kan zijn – die mogelijk geen specifieke luchthavens in haar doelomschrijving noemt – acht het College het niet noodzakelijk dat in de doelomschrijving van de organisatie expliciet moet zijn opgenomen dat de belangenbehartiging zich richt op Schiphol. Er moet wel sprake zijn van belangenbehartiging van de aangesloten gebruikers en die belangenbehartiging moet onder de doelomschrijving van de organisatie zijn te vatten. Dat is ook in lijn met artikel 6, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/12/EG.
9.9
Niet in geschil is dat de leden van DEA gebruikers zijn in de zin van Wet luchtvaart. Wat Fenex betreft is alleen aangevoerd dat de leden van DEA ook lid zijn van Fenex. Dat is niet voldoende om Fenex als representatieve organisatie aan te merken. Wat betreft TLN is, onweersproken, gesteld dat DEA een onderdeel is van TLN en dat TLN medewerkers en middelen ter beschikking stelt aan DEA. Verder is niet in geschil dat de doelomschrijving van TLN luidt:
"De vereniging heeft ten doel: (a) het verenigen van de beroepsgoederenvervoerders en dienstverleners in de logistieke ketens in één algemene organisatie; (b) het in de ruimste zin behartigen van de economische, sociale en vaktechnische belangen van het Nederlandse beroepsgoederenvervoer en de Nederlandse dienstverleners in de logistieke ketens in het algemeen en die van haar leden in het bijzonder; (c) het zijn en blijven van een vereniging voor alle leden groot én klein met alle diversiteit; (d) het op internationaal, landelijk, regionaal en lokaal niveau, met alle (wettige) middelen, behartigen van de belangen bij een goede kwaliteit van beroepsgoederenvervoer en overige logistieke dienstverlening in de ketens van in Nederland gevestigde bedrijven in de meest ruime zin."
Onder deze doelomschrijving is ook de belangenbehartiging van de koeriers- en expressdienstverleners met een eigen vliegtuigvloot te vatten. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het College van oordeel dat TLN een representatieve organisatie in de zin van de Wet luchtvaart is. Dat de leden van DEA al via een andere weg zijn vertegenwoordigd in de aanvraagprocedure doet hier niet aan af. Gebruikers kunnen immers lid zijn van verschillende organisaties en ook op eigen titel een aanvraag indienen. Artikel 8.25f, eerste lid, van de Wet luchtvaart sluit dit niet uit. De conclusie is dat de ACM ten onrechte TLN niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar aanvraag.
9.1
Voor Fenex is de conclusie dat niet is gebleken dat zij belangen van gebruikers vertegenwoordigt. Fenex is dus geen representatieve organisatie in de zin van de Wet luchtvaart.
Tussenconclusie
10 Het beroep van TLN slaagt. De overige aangevoerde gronden van TLN behoeven geen bespreking. Wat betreft Fenex ligt nog de vraag voor of de ACM gehouden was om Fenex toe te laten tot de aanvraagprocedure op grond van de ICAO Policies.
ICAO Policies
11 Fenex voert aan dat de ACM op grond van de ICAO Policies gehouden was de aanvraag in behandeling te nemen. Fenex betoogt hiermee dat artikel 8.25f, eerste lid, van de Wet luchtvaart verdragsconform zou moeten worden uitgelegd. De ICAO Policies zijn echter geen ieder verbindende verdragsrechtelijke regels. Het zijn, zoals blijkt uit het voorwoord, adviezen (guidance), zodat een verdragsconforme uitleg niet aan de orde is. De ACM was daarom niet gehouden om Fenex op grond van ICAO Policies toe te laten tot de aanvraagprocedure.
Slotsom
12 Het College zal het beroep van TLN gegrond en het beroep van Fenex ongegrond verklaren.
13 Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
Vervolg
14 Op de regiezitting van 21 mei 2026 zijn afspraken gemaakt over het vervolg bij een gegrondverklaring. Omdat alleen het beroep van TLN gegrond zal worden verklaard, gelden deze afspraken alleen voor een procedure van TLN. Het College zal de ACM conform de afspraken opdragen binnen drie weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van TLN. Volgens de gemaakte afspraken is TLN vervolgens in de gelegenheid om tegen dit nieuwe besluit uiterlijk 1 september 2026 een beroep vergezeld van haar gronden in te dienen. Voor de overige gemaakte afspraken wordt verwezen naar de brief van 21 mei 2026.

Beslissing

Het College:
  • verklaart het beroep van Fenex ongegrond;
  • verklaart het beroep van TLN gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover de aanvraag van TLN daarbij niet-ontvankelijk is verklaard;
  • draagt de ACM op binnen drie weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van TLN;
  • draagt de ACM op het betaalde griffierecht van € 385,- aan TLN te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Duuren, mr. M.J. Jacobs en mr. J.H. de Wildt, in aanwezigheid van mr. I.C. Hof, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
w.g. M. van Duuren w.g. I.C. Hof

Bijlage

Richtlijn 2009/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake luchthavengelden
Artikel 2, derde lid
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
3. „ luchthavengebruiker”: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die naar of vanaf de desbetreffende luchthaven door de lucht passagiers, post en/of vracht vervoert;
Engels taalversie
3. ‘ airport user’ means any natural or legal person responsible for the carriage of passengers, mail and/or freight by air to or from the airport concerned;
Duitse taalversie
3. „ Flughafennutzer“ jede natürliche oder juristische Person, die für die Beförderung von Fluggästen, Post und/oder Fracht auf dem Luftwege zu oder von dem betreffenden Flughafen verantwortlich ist;
Franse taalversie
3. « usager d’aéroport»: toute personne physique ou morale transportant par voie aérienne des passagers, du courrier et/ou du fret, à destination ou au départ de l’aéroport concerné;
Italiaanse taalversie
3. « utente dell’aeroporto», qualsiasi persona fisica o giuridica che trasporti per via aerea passeggeri, posta e/o merci, da e per l’aeroporto considerato;
Wet luchtvaart
Artikel 1.1, eerste lid
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
luchtvaartmaatschappij: onderneming, welke geheel of gedeeltelijk haar bedrijf maakt van het vervoer van personen, dieren of goederen met luchtvaartuigen;
Artikel 8.1b, eerste lid
1. In deze titel wordt verstaan onder:
[…]
gebruiker: een luchtvaartmaatschappij, alsmede een persoon of rechtspersoon die vluchten uitvoert, niet zijnde een luchtvaartmaatschappij;
[…]
representatieve organisatie: een bij ministeriële regeling aangewezen rechtspersoon die de belangen vertegenwoordigt van gebruikers.
Artikel 8.25f, eerste lid
1. Binnen vier weken na de dag waarop de in artikel 8.25da, eerste, vierde en vijfde lid, dan wel in artikel 8.25db, vierde lid, bedoelde mededelingen, hebben plaats gehad kan een gebruiker of representatieve organisatie een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt indienen tot vaststelling of de in artikel 8.25d, eerste lid en 8.25db, eerste tot en met derde lid, bedoelde tarieven en voorwaarden, of de in artikel 8.25d, vierde en vijfde lid, bedoelde aangepaste tarieven, of de in artikel 8.25d, zesde lid, bedoelde aangepaste voorwaarden, in strijd zijn met bij of krachtens deze wet gestelde regels. Als gevolg van die aanvraag treden bedoelde tarieven en voorwaarden, dan wel aangepaste tarieven en voorwaarden niet op de voorgenomen ingangsdatum in werking. De aanvraag heeft geen betrekking op de wijze waarop en de mate waarin de exploitant van de luchthaven de artikelen 8.25dd, eerste lid en 8.25de, vierde lid, heeft nageleefd. De Autoriteit Consument en Markt deelt de exploitant van de luchthaven terstond mede dat een aanvraag van een gebruiker of van een representatieve organisatie is ontvangen.