ECLI:NL:CBB:2026:357

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
23/1985
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken procesbelang na intrekking boetes Wet dieren

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin haar beroep tegen een besluit van 27 juli 2022 niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan belang. De rechtbank had het beroep tegen een ander besluit van 16 juni 2023 gegrond verklaard en de staatssecretaris veroordeeld in proceskosten.

Het geschil betreft boetes opgelegd door de staatssecretaris wegens overtredingen van de Wet dieren. Het College beoordeelt of appellante nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Procesbelang vereist dat het te bereiken resultaat feitelijke betekenis heeft en niet louter hypothetisch is.

De staatssecretaris heeft op 2 juli 2026 het besluit op bezwaar van 16 juni 2023 ingetrokken en een nieuw besluit genomen waarin de bezwaren van appellante alsnog gegrond zijn verklaard en de boetes van in totaal € 5.000,- zijn ingetrokken. Tevens is toegezegd dat reeds betaalde boetes met wettelijke rente worden terugbetaald.

Appellante heeft niet concreet onderbouwd waarom zij ondanks deze intrekking nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Daarom verklaart het College het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante in hoger beroep en dient het betaalde griffierecht te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na intrekking van de boetes.

Uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1985

uittreksel van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van22 juli 2026:

Voorzitter: mr. S.C. Stuldreher
Griffier: mr. I.S. Post
Zittingsgriffier: J. Willemstein

Partijen

[naam] , te [vestigingsplaats] ( [naam] ),

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),

en

de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij)

Overwegingen en beslissing

Inleiding
1. [naam] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:10642). In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van [naam] tegen het besluit van 27 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [naam] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Ook heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 juni 2023 gegrond verklaard, omdat de bestuurlijke dwangsom op een te laag bedrag is vastgesteld. De rechtbank heeft de staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten in bezwaar en beroep. Deze zaak gaat over boetes die de staatssecretaris aan [naam] heeft opgelegd wegens overtredingen van de Wet Dieren.
Procesbelang
2 Het College beoordeelt eerst of [naam] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep (procesbelang). Indien het procesbelang ontbreekt, is het hoger beroep niet-ontvankelijk. Dat is naar het oordeel van het College hier het geval. Hieronder legt het College uit waarom.
3 Voor de vraag of er (nog) procesbelang bestaat, is van belang wat [naam] met haar beroep nastreeft. Het doel dat zij hiermee wil bereiken, moet zij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor haar feitelijke betekenis hebben en niet alleen hypothetische betekenis. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van een procesbelang. [naam] zal (desgevraagd) concreet moeten aangeven waarom de beoordeling van het besluit voor haar in dit stadium van de procedure nog feitelijke betekenis heeft.
4 De staatssecretaris heeft op 2 juli 2026 de beslissing op bezwaar van
16 juni 2023 ingetrokken en een nieuw besluit op bezwaar genomen. Met dit nieuwe besluit heeft de staatssecretaris de bezwaren van [naam] alsnog gegrond verklaard en de boetes van in totaal € 5.000,- ingetrokken. De staatssecretaris heeft verder toegezegd dat hij, als [naam] de boetes al heeft betaald, zij het bedrag van € 5.000 terugontvangt, met wettelijke rente. [naam] heeft niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd waarom zij niettemin nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Dat betekent dat het College het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren.
5 De staatssecretaris heeft zich verder bereid verklaard om de griffierechten en de proceskosten in hoger beroep te vergoeden. In lijn hiermee zal het College de staatssecretaris veroordelen in de door [naam] gemaakte proceskosten in hoger beroep. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 934,- (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [naam] in hoger beroep tot een bedrag van € 934,-;
  • draagt de staatssecretaris op het door [naam] betaalde griffierecht in hoger beroep van € 548,- te vergoeden.
w.g. S.C. Stuldreher w.g. J. Willemstein