ECLI:NL:CBB:2026:51

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
25/992
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 81, vijfde lid, Bp 2000Art. 82, eerste en zesde lid, Bp 2000Art. 10, eerste en derde lid, Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaartenArt. 302, eerste lid, Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing chauffeurskaart na verkeersincident

Verzoeker, een zelfstandig taxichauffeur, kreeg zijn chauffeurskaart geschorst door de staatssecretaris vanwege een incident waarbij hij ervan wordt verdacht bewust op een verkeersregelaar te zijn ingereden. Dit leidde tot een strafrechtelijke procedure wegens zware mishandeling en opzettelijk verkeersgevaarlijk gedrag.

Verzoeker betwist de beschuldigingen en stelt dat hij niet opzettelijk handelde, onderbouwd met een dashcamvideo. Hij voert aan dat de schorsing onevenredig is vanwege zijn financiële situatie als kostwinner.

De staatssecretaris baseert het schorsingsbesluit op processen-verbaal en getuigenverklaringen die het vermoeden ondersteunen dat verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Het belang van veiligheid en kwaliteit in het taxivervoer weegt zwaarder dan het financiële belang van verzoeker.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de schorsing terecht is en niet onevenredig, en dat het oordeel over schuld aan het strafbare feit aan de strafrechter is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, met de mogelijkheid tot opheffing van de schorsing bij vrijspraak in de strafzaak.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van de chauffeurskaart wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/992
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten)
en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigden: mr. G.H.H. Bisschof en mr. J.M. Wachter)

Procesverloop

Met het besluit van 19 november 2025 (schorsingsbesluit) heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart van verzoeker geschorst.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 21 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoeker, A. Fawzy (tolk), en de gemachtigden.

Overwegingen

Spoedeisend belang
1.1
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het intrekkingsbesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
1.2
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Zonder zijn chauffeurskaart kan hij namelijk niet als taxichauffeur werken terwijl hij de inkomsten uit die werkzaamheden wel nodig heeft om in het levensonderhoud van hem en zijn gezin te kunnen voorzien. De staatssecretaris bestrijdt overigens niet dat verzoeker een spoedeisend belang heeft.
Aanleiding voor de procedure
2.1
Verzoeker werkt als zelfstandig taxichauffeur. Hij beschikte over de daarvoor op grond van artikel 81, vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp 2000) vereiste chauffeurskaart.
2.2
De staatssecretaris heeft op 14 november 2025 een bericht gekregen van de politie dat verzoeker ervan verdacht wordt dat hij op 11 november 2025 om 23.03 uur bij een verkeersruzie bewust op een verkeersregelaar is ingereden bij een wegafzetting bij een evenement in Amsterdam.
2.3
In het proces-verbaal van aangifte is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“[…]
Ik was aan het werk als verkeersregelaar. Ik stond op de Hoogoorddreef gelegen in
Amsterdam. Ik was ingehuurd vanwege het evenement wat er gaande was in het Arena gebied.
De locatie waar ik stond was de kruising Hoogoorddreef/ Haaksbergweg. Ik zag een voertuig aan komen rijden. Ik zag dat het een Taxi betrof grijs van kleur. Het kenteken heb ik niet onthouden maar ik zag dat het voertuig een blauwe kentekenplaat had.
Ik gaf de taxi een stopteken. Ik deed dit door de taxi aan te wijzen en met mijn andere hand mijn rode lamp te heffen. De taxi stopte, ik hoorde hem vragen waarom hij moest stoppen en er niet door mocht. Ik legde hem uit dat taxi’s daar niet in mogen en dat hij rechtsaf moest in de richting van P7 de Haaksbergweg op. Ik gaf hem deze instructies in het Nederlands.
Ik hoorde dat de taxi chauffeur zei dat hij dat ging doen. Ik zag dat het voertuig plots met hoge snelheid op mij af kwam. Plots voelde ik een stekende pijn in mijn linker voet. Door de stekende pijn die ik in mijn voet voelde kwam ik direct ten val.
Ik kwam op de grond naast het voertuig terecht. Ik gebruikte mijn linker arm om terug op te staan. Plots zag ik het voertuig welke net over mijn voet gereden was weer achteruit reed. Ik zag dat het voertuig zich in mijn richting bewoog. Het ging allemaal ontzettend snel. Doordat ik bezig was met weer opstaan en mijn hand zich nog op de grond bevond reed het voertuig in de richting van mijn hand. Het moment dat zijn autoband boven op mijn hand stond komt het voertuig tot stilstand. Hij heeft zeker 30 seconden stil op mijn hand gestaan. Het voertuig stond met zijn voorband aan de bestuurderszijde op mijn hand. Ik weet niet of de taxichauffeur door had dat hij stil stond op mijn hand. Ik probeerde iets te roepen maar door de pijn kon ik niet meer praten.
Het voertuig is over mijn voet en over mijn hand met dezelfde band gereden. Dit
betreft de band aan de voorzijde van de bestuurderskant.
[…].”
2.4
In het proces-verbaal van verhoor is een getuigenverklaring opgenomen:
De getuige verklaarde:
“Op dinsdag 11 november 2025 omstreeks 22.45 uur, stond ik op de Entree te Amsterdam te wachten op een taxi. Ik zag dat dat deze taxi over de Entree in de richting van de Johan Cruijff arena reed.
Ik zag dat een verkeersregelaar in geel uniform, de taxichauffeur instructies gaf om te wachten met doorrijden. Ik zag dat de verkeersregelaar eerst op de stoep stond en instructies gaf. Ik zag dat de taxichauffeur hier geen gehoor aan gaf. Ik zag dat de verkeersregelaar op de autobaan ging staan voor de auto van de taxichauffeur om hem te dwingen door te rijden. Ik zag toen dat de taxichauffeur toen opzettelijk op de verkeersregelaar inreed. Voordat de taxichauffeur op de verkeersregelaar inreed. Stond de taxichauffeur de hele tijd stil
Ik zag dat de verkeersregelaar hierdoor hard ten val kwam. Ik schrok echt enorm van deze ogenschijnlijke bewuste inrijding op de verkeersregelaar.
Ik zag dat de taxichauffeur vervolgens achteruit reed en uitstapte en tegen de verkeersregelaar ging schreeuwen.”
2.5
Verzoeker is gedagvaard om op 10 februari 2026 voor de politierechter te Amsterdam te verschijnen. Hem is overtreding van artikel 302, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling) en artikel 5a van de Wegenverkeerswet (opzettelijk verkeersgevaarlijk gedrag) tenlastegelegd.
2.6
De staatssecretaris heeft de chauffeurskaart op 19 november 2025 per direct tot 11 februari 2026 geschorst, vanwege het vermoeden dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Volgens de staatssecretaris is verzoeker op 11 november 2025 betrokken geweest bij een ernstig incident dat afbreuk doet aan het belang van veilig taxivervoer. Vanwege de ernst hiervan kan de uitkomst van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden niet worden afgewacht.
Standpunten van partijen
3 Verzoeker voert aan dat zijn chauffeurskaart ten onrechte geschorst is. Hij heeft zich namelijk niet schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Verzoeker weerspreekt dat hij de verkeersregelaar bewust heeft aangereden. Verzoeker is gestopt om de verkeersregelaar te vertellen dat hij een klant, die zo’n 100 meter verderop (rechtdoor) stond te wachten, op wilde pikken. De verkeersregelaar stond aan de bestuurderszijde op korte afstand voor de auto en maande hem om naar rechts af te slaan. Toen verzoeker met zo’n 3 kilometer per uur wegreed en zijn taxi daadwerkelijk naar rechts instuurde, stapte de verkeersregelaar voor zijn taxi waardoor hij ten val kwam. Dat blijkt ook uit het videofragment van de dashboardcamera (dashcam) van verzoeker dat hij heeft overgelegd. Verder is de schorsing onevenredig. De staatssecretaris heeft het belang dat verzoeker heeft bij behoud van zijn chauffeurskaart onvoldoende meegewogen in het schorsingsbesluit. Verzoeker heeft als enige kostwinner voor zijn vrouw en twee jonge dochters substantiële (vaste) lasten en beschikt na de aanschaf van een nieuwe taxi, die hij deels nog aan het terugbetalen is, over weinig vermogen om die lasten te kunnen dragen. Door de schorsing nemen de schulden die hij heeft toe.
4 De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich voor de feitelijke toedracht mocht baseren op de processen-verbaal. Die onderbouwen het vermoeden dat verzoeker niet tijdig een nieuwe VOG zou kunnen overleggen vanwege het incident dat in ernstige mate afbreuk doet aan het belang van veilig taxivervoer, omdat verzoeker vermoedelijk een strafbaar feit heeft begaan door bewust op een verkeersregelaar in te rijden. Het videofragment van de dashcam maakt dat niet anders. Op basis daarvan heeft de staatssecretaris geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de processen-verbaal. De ingrijpende financiële gevolgen van het schorsingsbesluit voor verzoeker zijn geen reden om daarvan af te zien. Het belang bij het schorsen in verband met het waarborgen van de kwaliteit en veiligheid van het taxivervoer weegt zwaar gezien de ernst van het incident en het vermoedelijk strafbaar handelen door verzoeker. Dat heeft vermoedelijk consequenties voor zijn VOG. De uitspraak in de strafrechtelijke procedure hoeft hierbij niet te worden afgewacht, aangezien anders afbreuk zou worden gedaan aan de wens van de wetgever om in zo’n geval direct te kunnen ingrijpen. Als de politierechter besluit tot vrijspraak kan de schorsing van de chauffeurskaart meteen worden opgeheven. Het rijbewijs van verzoeker is ingetrokken en zolang deze intrekking niet ongedaan is gemaakt, brengt opheffing van de schorsing van zijn chauffeurskaart overigens niet met zich dat hij weer als taxichauffeur werkzaam kan zijn.
Beoordeling door het College
5.1
Op grond van artikel 82, zesde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder c, van het Bp 2000 kan de minister, indien hij vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG, verlangen dat die bestuurder binnen een door hem vast te stellen termijn opnieuw verzoekt om afgifte van een VOG. De bestuurder overlegt binnen een door de minister vast te stellen termijn de nieuwe VOG.
5.2
Op grond van artikel 10, derde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten kan een chauffeurskaart voor een termijn van ten hoogste 12 weken worden geschorst bij het vermoeden dat de bestuurder niet of niet tijdig op grond van artikel 82, zesde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder d van het Bp 2000, een nieuwe VOG overlegt.
5.3
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris aan de inhoud van de genoemde processen-verbaal het vermoeden kunnen ontlenen dat verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG vanwege de verdenking van de tenlastegelegde misdrijven. Het betreft hier de verklaring van de aangever (de verkeersregelaar) dat verzoeker bewust tegen hem aan is gereden die wordt ondersteund door een getuigenverklaring. Op het videofragment van de dashcam is ook te zien dat verzoeker zijn taxi in de richting van de verkeersregelaar, naar links, reed met lage snelheid. Hierbij raakte hij de verkeersregelaar. Het videofragment en de eigen verklaring van verzoeker werpen niet een zodanig licht op de processen-verbaal dat de staatssecretaris daaraan niet het vermoeden heeft kunnen ontlenen dat verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG. Het oordeel of verzoeker daadwerkelijk schuldig is aan een van de tenlastegelegde misdrijven is aan de strafrechter en staat niet ter beoordeling in deze bestuursrechtelijke procedure. Er is voldoende informatie voor het vermoeden dat verzoeker niet of niet tijdig een nieuwe VOG zal kunnen overleggen. Daarom was de staatssecretaris bevoegd de chauffeurskaart van verzoeker te schorsen.
5.4
De voorzieningenrechter is van oordeel dat hij van zijn bevoegdheid tot schorsing van de chauffeurskaart gebruik mocht maken. De voorzieningenrechter acht de afweging die de staatssecretaris heeft gemaakt niet onredelijk en de gevolgen van het schorsingsbesluit niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel van het waarborgen van de kwaliteit, en dan met name de veiligheid, van het taxivervoer. Dat verzoeker verdacht wordt van het ernstige feit van 11 november 2025 doet het vermoeden ontstaan dat verzoeker niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG waarmee hij aantoont dat zijn gedrag geen bezwaar vormt voor de functie van taxichauffeur. Het is in het belang van het veilig taxivervoer dat de chauffeurskaart geschorst is omdat nog niet duidelijk is of een VOG kan worden afgegeven. De staatssecretaris heeft dat belang zwaarder mogen laten wegen dan de financiële schade die verzoeker als gevolg van het schorsingsbesluit lijdt. Dat verzoeker tijdens de looptijd van het schorsingsbesluit geen inkomsten heeft bij hoge maandlasten, zonder dat hij vervangend werk kan vinden, maakt het besluit niet zo onevenwichtig dat de staatssecretaris daarvan af moest zien. De omstandigheden van het geval waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden kunnen in het kader van een aanvraag van de VOG en een strafprocedure een rol spelen. Op 5 februari 2026 is de zitting over de invordering van het rijbewijs en op 10 februari 2026 de zitting bij de politierechter. Mocht daaruit volgen dat geen strafrechtelijk feit is begaan en het rijbewijs ten onrechte is ingevorderd, dan kan de schorsing meteen worden opgeheven.
Conclusie
6 De voorzieningenrechter concludeert dat de schorsing van de chauffeurskaart naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Dit is anders wanneer verzoeker alsnog een VOG kan overleggen. Daarvan is op dit moment geen sprake. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, in aanwezigheid van mr. M. Ettema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. M. Ettema