ECLI:NL:CBB:2026:53

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
26/19
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 3.6 Besluit houders van dieren
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder bestuursdwang wegens overtredingen Besluit houders van dieren

De minister legde op 18 november 2025 een last onder bestuursdwang op aan verzoeker vanwege overtredingen van het Besluit houders van dieren (Bhd), specifiek gericht op het bedrijfsmatig houden, fokken en verkopen van honden. Tijdens controles in april en september 2025 stelde de NVWA vast dat verzoeker niet voldeed aan de geldende regels. Na een hercontrole op 17 december 2025 constateerde de minister dat de overtredingen niet waren beëindigd en nam bestuursdwang door 40 honden in bewaring te nemen.

Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit en vroeg het College van Beroep voor het bedrijfsleven om een voorlopige voorziening om de honden terug te krijgen. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker bedrijfsmatig handelt, gezien het aantal gefokte pups, de verkoop via advertenties en de inrichting van de woning als bedrijfsmatige hondenhouderij. Verzoeker voldeed niet aan de voorschriften van het Bhd, waaronder het ontbreken van een UBN, onjuiste registratie van honden, en het ontbreken van een erkend vakbekwaamheidsbewijs.

Daarnaast werden ernstige tekortkomingen vastgesteld in de huisvesting en verzorging van de honden, zoals onvoldoende ruimte, gebrek aan bescherming tegen weersomstandigheden, en onvoldoende hygiëne. Verzoeker betwistte deze overtredingen niet. Gezien deze feiten zag de voorzieningenrechter geen reden om te verwachten dat het besluit in bezwaar zou worden vernietigd en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder bestuursdwang wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/19
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1] te [woonplaats] (verzoeker)

(gemachtigde: mr. C.J. Driessen)
en

de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

(gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom)

Procesverloop

Met het besluit van 18 november 2025 heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoeker, wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren (Bhd). De last heeft betrekking op door verzoeker gehouden honden.
De minister heeft op 17 december 2025 op grond van die last bestuursdwang toegepast door 40 honden in bewaring te nemen.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 18 november 2025 bezwaar gemaakt en het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De zitting was op 21 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister, vergezeld van [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Inleiding
1.1
Tijdens controles op 18 april 2025 en 26 september 2025 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vastgesteld dat verzoeker bedrijfsmatig honden houdt en dat hij niet voldoet aan de regels die daarvoor gelden. Deze bevindingen hebben ertoe geleid dat de minister op 18 november 2025 een last onder bestuursdwang ter beëindiging van de genoemde overtredingen heeft opgelegd.
1.2
Tijdens een hercontrole op 17 december 2025 hebben toezichthouders van de NVWA vastgesteld dat verzoeker de overtredingen niet heeft beëindigd. De minister heeft vervolgens de overtredingen zelf beëindigd door bestuursdwang toe te passen. Hij heeft 40 van de 42 aanwezige honden meegevoerd en opgeslagen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.1
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De overwegingen en het oordeel van de voorzieningenrechter zijn niet bindend voor de hoofdzaak.
2.2
Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, omdat hij met dit verzoek wil bereiken dat de in bewaring genomen honden aan hem worden teruggeven en niet worden verkocht.
2.3
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister terecht geconstateerd dat verzoeker bedrijfsmatig honden verkoopt en fokt en dat hij niet voldoet aan de regels die daarvoor gelden. Daarnaast heeft de minister terecht geconstateerd dat verzoeker algemene huisvestings- en verzorgingsnormen overtreedt. De voorzieningenrechter licht zijn oordeel als volgt toe.
2.4
Uit artikel 3.6 van het Bhd volgt dat het verboden is om bedrijfsmatig honden te verkopen en te fokken, tenzij is voldaan aan paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van het Bhd. Uit artikel 3.6, tweede lid, van het Bhd volgt dat dat alleen anders is als de houder aannemelijk maakt dat geen sprake is van bedrijfsmatig handelen. Dat heeft verzoeker niet gedaan.
2.5
Uit de bevindingen van de toezichthouders blijkt dat verzoeker in de periode van 2021 tot en met 2025 gemiddeld ruim 26 pups per jaar heeft gefokt. In 2025 waren dat er ten minste 37. Uit de verklaring van verzoeker blijkt dat hij al langer fokt met zijn honden, ongeveer sinds 2019. De pups die worden geboren verkoopt verzoeker aan derden. Hij adverteert daartoe op marktplaats.nl en vraagt een prijs van € 400,- tot € 800,- per pup. De woning en gebouwen rondom de woning zijn ingericht op het bedrijfsmatig houden van honden. Uit deze omstandigheden blijkt dat verzoeker bedrijfsmatig honden verkoopt en fokt. De enkele ontkenning van verzoeker dat hij hobbymatig honden houdt en dat er incidenteel meer pups zijn geboren, is onvoldoende voor een andere conclusie.
2.6
Verzoeker betwist niet dat hij niet aan de voorschriften van paragraaf 2, hoofdstuk 3, van het Bhd voldoet. Dat hij niet aan die voorschriften voldoet, blijkt duidelijk uit de bevindingen van de toezichthouders, die 10 overtredingen van deze voorschriften hebben vastgesteld. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een UBN (Uniek Bedrijfsnummer) voor bedrijfsmatig handelen met honden. Tijdens de hercontrole op 17 december 2025 was dat onveranderd. Bovendien kwam tijdens die hercontrole naar voren dat verzoeker inmiddels honden registreert op het UBN van zijn ex-vrouw in [plaats] , terwijl de honden daar niet verblijven. Verder is er geen beheerder werkzaam met een erkend bewijs van vakbekwaamheid. Het vakbekwamheidsbewijs dat verzoeker aan de toezichthouders heeft getoond staat op naam van [naam 4] , die bij geen enkele controle is aangetroffen en waarvan verzoeker ook niet op andere wijze aannemelijk heeft gemaakt dat deze persoon (desondanks) de leiding heeft over de fokkerij of werkzaam is bij verzoeker. De toezichthouders hebben daarnaast vastgesteld dat de huisvesting en de beweging van de honden in ernstige mate tekort schiet. Zo worden de honden bijvoorbeeld gehouden in te kleine ruimtes, hebben zij geen bescherming tegen slechte weersomstandigheden en gezondheidsrisico, hebben zogende honden met hun jongen niet de beschikking over een geschikte nestruimte en worden de honden niet dagelijks in de gelegenheid gesteld om tijd door te brengen buiten hun verblijf.
2.7
Naast de overtredingen van paragraaf 3, hoofdstuk 3 van het Bhd, hebben de toezichthouders overtredingen vastgesteld van algemene huisvestings- en verzorgingsnormen, die ook gelden als geen sprake is van bedrijfsmatig verkopen en fokken. Verzoeker heeft ook deze overtredingen, die erop neer komen dat de huisvesting van de honden ongeschikt en onvoldoende hygiënisch is en dat de honden bij herhaling geen toegang hadden tot water, niet betwist.
2.8
Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor de verwachting dat het besluit van 18 november 2025 in bezwaar geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.
w.g. R.C. Stam w.g. A.M. Slierendrecht
De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.