Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
[naam 1] , te [woonplaats]
(gemachtigde:ir. A.H.J. van der Putten)
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Procesverloop in hoger beroep
Noord-Nederland van 11 maart 2024 (aangevallen uitspraak; niet gepubliceerd).
Grondslag van het geschil
Stikstof:20400 kg
Stikstof:3850 kg
Gehalte: 95%
“[…]Aanleiding:[…]Dit bedrijf was geselecteerd omdat dit bedrijf vermoedelijk volgens de geregistreerde gegevens bij RVO, de gebruiksnormen heeft overschreden in 2018.
Ik vroeg aan [naam 1] of hij voorafgaande aan de controle enkele te controleren documenten kon toesturen.
Bedrijfsbezoek
Naar aanleiding van de ontvangen documenten hebben wij [naam 1] om inlichtingen
Aanvullende informatie inwinning
Bevindingen gebruiksnormen 2018
Tabel 5: Begin- en eindvoorraad dierlijke mest in 2018 volgens BMP
Overschrijding gebruiksnormen in 2018
10.938 kg stikstof.
817 kg fosfaat.
Verhoor overtreder
Vraag: Gebeurd dit elk jaar op dezelfde manier?
Antwoord: “Ja
[…]Vraag: Kunt u mij administratie/ berekeningen van de mestvoorraden in de
Vraag: wat zijn volgens u de correcte tonnen per mestsoort?
Berekening mestvoorraden
01-01-2018, 01-01-2019 en 01-01-2020
Ik zag het volgende betreffende de totale eindvoorraad drijf- en vaste mest op 31-12-2018 het volgende in tabel 10 weergegeven. [naam 1] heeft dit document als naam 01-01-2019 gegeven de eind voorraad in tonnen van het ene jaar en begin voorraad van het daarop volgende jaar zijn gelijk aan elkaar.
€ 72.436,- (boetebesluit). Aan het intrekkingsbesluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat [naam 1] niet aan de voorwaarden van de derogatievergunning heeft voldaan, omdat hij
(-) de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden,
(-) het bemestingsplan niet naar waarheid heeft opgesteld en (-) zijn landbouwgrond niet volgens de voorschriften heeft laten bemonsteren en analyseren. Aan het boetebesluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat [naam 1] de gebruiksnorm dierlijke meststoffen met
10.548 kg stikstof heeft overschreden. Als gevolg van de intrekking van de derogatievergunning is de minister daarbij uitgegaan van de reguliere gebruiksnorm dierlijke meststoffen van 170 kg stikstof per hectare. De minister heeft de oorspronkelijke boete van
€ 74.936,- gematigd met € 2.500,-, omdat tussen het rapport van bevindingen en het boetebesluit meer dan 26 weken waren verstreken.
Uitspraak van de rechtbank
4.1 […] De mededeling van toezichthouder op 3 januari 2020 aan eiser dat zijn bedrijf vermoedelijk was geselecteerd voor een controle omdat de dierlijke mestvoorraden waarschijnlijk niet juist zijn opgegeven op de AGL 2018 is naar het oordeel van de rechtbank geen handeling waaraan eiser naar redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem een boete werd opgelegd voor het overschrijden van de gebruiksnormen. Het op onjuiste wijze doorgeven van de dierlijke mestvoorraden betekent immers niet dat daarmee ook sprake is van een overschrijding van de gebruiksnormen. Dit betekent dat de toezichthouder op 3 januari 2020 aan eiser geen cautie heeft moeten verlenen. Hierdoor heeft de minister, anders dan eiser betoogt, de verklaringen van eiser die dateren van voor het verlenen van de cautie op 7 februari 2020 niet buiten beschouwing hoeven te laten. […]
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
1 januari 2018 en 1 januari 2019 (eindvoorraad 2018). Het betreft overzichten van de verschillende mestopslagen op zijn bedrijf met de maten ervan en de hoeveelheden dierlijke mest in die opslagen, zoals door hem opgemeten. Het overzicht van 1 januari 2019 laat zien dat het bij de eindvoorraad dierlijke mest 2018 ging om 500 ton vaste mest en 5.001,4 ton drijfmest. Deze hoeveelheden sluiten beter aan bij de hoeveelheden die [naam 1] in de eerdergenoemde andere jaren heeft opgegeven, dan de hoeveelheden waarvan de minister is uitgegaan. Dat, zoals de toezichthouder heeft vastgesteld, [naam 1] de overzichten pas op
21 en 27 januari 2020. [naam 1] klaagt er terecht over dat hem voorafgaand aan deze verhoren ten onrechte geen cautie is verleend. Artikel 5:10a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. Op grond van het tweede lid dient voor het verhoor aan de betrokkene medegedeeld te worden dat hij niet verplicht is tot antwoorden. Uit het rapport van bevindingen onder het kopje ‘Aanleiding’ (zoals hiervoor weergegeven onder 1.5) blijkt dat dat het bedrijf van [naam 1] was geselecteerd, omdat dit bedrijf vermoedelijk volgens de geregistreerde gegevens bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de gebruiksnormen heeft overschreden in 2018. Anders dan waarvan de rechtbank uitgaat, ging het dus niet alleen om een controle omdat de dierlijke meststoffen waarschijnlijk niet juist zijn opgegeven met de AGL 2018. Gelet op wat de toezichthouder al bekend was – dat [naam 1] vermoedelijk de gebruiksnormen heeft overschreden in 2018 – is het College onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 oktober 2017 (hiervoor aangehaald onder 6.1), van oordeel dat de toezichthouder het terrein van het houden van toezicht verliet en overging tot het afnemen van een verhoor met het oog op de oplegging van een bestuurlijke boete wegens overtreding van het bepaalde in artikel 7, in samenhang met artikel 8, van de Msw. Alvorens aan [naam 1] – kort gezegd – vragen te stellen over de mestvoorraden 2018, had hem met het oog op het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie besloten liggende vereiste van een ‘fair hearing’ en de daaruit voortvloeiende bescherming tegen gedwongen ‘self-incrimination’ dan ook de cautie moeten zijn gegeven. Om die reden moet worden geoordeeld dat bij de verhoren van [naam 1] op 21 en 27 januari 2020 sprake is geweest van een schending van het bepaalde in artikel 5:10a, tweede lid, van de Awb. Het College zal daarom die door [naam 1] afgelegde verklaringen hier buiten beschouwing laten.
€ 2.500,-. Omdat de boete al met dit maximumbedrag is gematigd, is er geen aanleiding voor een verdergaande, aanvullende matiging wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de overschrijding tot een jaar (zie onder 7.4 van de uitspraak van het College van 24 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:660). Voor de resterende overschrijding van de redelijke termijn vanaf een jaar (namelijk met ruim zeven maanden) wordt naar bevind van zaken gehandeld, waarbij aanleiding bestaat de boete te verlagen met 10% (zie onder 7.4 van de uitspraak van het College van 24 september 2024, hiervoor aangehaald). Dit leidt tot een boetebedrag van € 47.784,60 (€ 53.094,- – 10%).
Beslissing
- vernietigt de aangevallen uitspraak, behalve voor zover deze betrekking heeft op de proceskosten en het griffierecht;
- verklaart het beroep bij de rechtbank gegrond;
- vernietigt het gedeelte van de beslissing op bezwaar dat betrekking heeft op het boetebesluit voor zover het betrekking heeft op de constatering dat [naam 1] de fosfaatgebruiksnorm heeft overtreden en de hoogte van de boete en herroept het boetebesluit in zoverre;
- stelt de hoogte van de boete wegens overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen vast op € 47.784,60;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar;
- draagt de minister op het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 279,- aan [naam 1] te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van
24 februari 2026.
Bijlage
3. De in het eerste lid en tweede lid bedoelde gebruiksnormen zijn uitsluitend van toepassing:
[…]