Verzoeker, werkzaam als taxichauffeur, kreeg op 7 december 2025 een stopteken van de politie waarbij vier lachgastanks en een leeggelopen ballon in zijn taxi werden aangetroffen. Hij wordt verdacht van het bezit van middelen uit lijst II van de Opiumwet. Naar aanleiding hiervan schorste de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op 13 januari 2026 de chauffeurskaart van verzoeker tot 7 april 2026, omdat vermoed werd dat hij niet langer voldoet aan de eisen voor het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag (VOG).
Verzoeker maakte bezwaar tegen het schorsingsbesluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat hij niet beroepsmatig reed tijdens de controle, dat de lachgastanks van de passagier waren en dat het vermoeden onvoldoende gemotiveerd was. De staatssecretaris handhaafde het besluit vanwege het belang van veilig taxivervoer.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had bij de voorziening, maar dat het vermoeden van de staatssecretaris op basis van het proces-verbaal gegrond was. De aanwezigheid van lachgas in de taxi en de verdenking van een strafbaar feit rechtvaardigen de schorsing. De belangenafweging wees uit dat het belang van veiligheid zwaarder weegt dan de financiële gevolgen voor verzoeker. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.