ECLI:NL:CBB:2026:84

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
26/74
Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 81 Besluit personenvervoer 2000Art. 82 Besluit personenvervoer 2000Art. 3/C OpiumwetArt. 11/2 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen schorsing chauffeurskaart wegens lachgas in taxi

Verzoeker, werkzaam als taxichauffeur, kreeg op 7 december 2025 een stopteken van de politie waarbij vier lachgastanks en een leeggelopen ballon in zijn taxi werden aangetroffen. Hij wordt verdacht van het bezit van middelen uit lijst II van de Opiumwet. Naar aanleiding hiervan schorste de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op 13 januari 2026 de chauffeurskaart van verzoeker tot 7 april 2026, omdat vermoed werd dat hij niet langer voldoet aan de eisen voor het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag (VOG).

Verzoeker maakte bezwaar tegen het schorsingsbesluit en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat hij niet beroepsmatig reed tijdens de controle, dat de lachgastanks van de passagier waren en dat het vermoeden onvoldoende gemotiveerd was. De staatssecretaris handhaafde het besluit vanwege het belang van veilig taxivervoer.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend belang had bij de voorziening, maar dat het vermoeden van de staatssecretaris op basis van het proces-verbaal gegrond was. De aanwezigheid van lachgas in de taxi en de verdenking van een strafbaar feit rechtvaardigen de schorsing. De belangenafweging wees uit dat het belang van veiligheid zwaarder weegt dan de financiële gevolgen voor verzoeker. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: De voorlopige voorziening tegen de schorsing van de chauffeurskaart wordt afgewezen vanwege het gegrond vermoeden dat verzoeker niet voldoet aan de VOG-eisen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 26/74
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , te [woonplaats] (verzoeker)

(gemachtigde: mr. K. Vierhout)
en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigde: mr. I.M. Kops)

Procesverloop

Met het besluit van 13 januari 2026 (het schorsingsbesluit) heeft de staatssecretaris de chauffeurskaart van verzoeker geschorst tot 7 april 2026, in afwachting van een uit te voeren onderzoek naar de intrekking van de chauffeurskaart.
Verzoeker heeft tegen het schorsingsbesluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 16 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigden van partijen.

Overwegingen

Inleiding
1.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het schorsingsbesluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
1.2
Verzoeker is werkzaam als taxichauffeur en beschikte over de vereiste chauffeurskaart op grond van artikel 81, vijfde lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (Bp 2000).
1.3
Op 7 december 2025 heeft verzoeker, terwijl hij in zijn taxi reed met een passagier, een stopteken gekregen van de politie. Bij deze controle zijn vier lachgastanks aangetroffen en een leeggelopen zwarte ballon. Op één van de lachgastanks waren ijskristallen aanwezig. De bevindingen van de politie en het daaropvolgende verhoor van verzoeker zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Verzoeker wordt verdacht van het aanwezig hebben van middelen uit lijst II van de Opiumwet (te weten lachgascilinders met de inhoud distikstofmonoxide).
1.4
In het proces-verbaal van aanhouding is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Wij, verbalisanten […] en […], verklaren het volgende:
Op zondag 7 december 2025 om 17:00 uur, werd door ons op de locatie A6 ter hoogte van hectometerpaal 47.4 rechter rijbaan, Almere, aangehouden als verdachte […]
Grond aanhouding
Op heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 3/C Opiumwet, artikel 11/2 Opiumwet.”
1.5
In het proces-verbaal van bevindingen is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Ik, verbalisant […], confronteerde […] met de eerdere zwart - kleurige ballon, welke ik had gezien en deelde hem direct zijn rechten mede te weten: “Niet tot antwoorden verplicht en recht op een raadsman”. Hierop volgend vroeg ik, verbalisant […], aan […] of hij nog strafbare goederen en/of spullen in zijn motorrijtuig had. Wij, hoorde […] verklaren: “Ik heb niet aan de Ballon gezeten!, maar ik heb wel twee van die tankjes achterin”. Hierop vroeg ik, verbalisant […], aan […] of hij uit zijn motorrijtuig kon stappen en of hij de tankjes welke hij eerder benoemde kon aanwijzen. Wij, zagen dat […] naar de weerszijde van het motorrijtuig liep en de achterdeur van het motorrijtuig opende. Wij, zagen op de achterbank ongezekerd liggen een twee (2) tal kartonnen dozen met als inhoud zogeheten :“Lachgastanks”. Ik, verbalisant […], zag op een (1) van de twee (2) lachgastanks nog ijskristallen aanwezig waren, ons ambtshalve beter bekend als zijnde dat de lachgastank recentelijk is gebruikt.
Hierop volgend vroegen wij, aan de onbekende passagier welke zittende op de passagiersplaats of zij uit het motorrijtuig wilde stappen. Wij, zagen dat wanneer de onbekende passagier uitstapte, in de voorzijde van het genoemde motorrijtuig nog een witte zogeheten : “Bigshopper tas” met daarin nog een twee (2) tal lachgasflessen”. Dit bracht het totale aantal lachgasflessen op vier (4) lachgasflessen’. Wij, zagen achter de bigshopper tas een leeggelopen zwart - kleurige ballon liggen. […]
Ik, verbalisant […], deelde […] mede bij het vinden van de vier (4) lachgasflessen, dat hij was aangehouden voor het bezitten van softdrugs staande op lijst 2 van de Opiumwet.
[…]
Ik, verbalisant […], zag dat de eerder onbekend gebleven passagier, mij, verbalisant […], toonde een Marokkaanse identiteitskaart waaruit de eerder onbekend gebleven passagier bleek te zijn genaamd: […] geboren op […] te […]”. Ik, verbalisant […], hoorde […] als volgt verklaren in mijn richting: “ik was in slaap gevallen en werd bij het volgteken van jullie ineens wakker, waarschijnlijk heeft hij gezegd dat hij mij heeft gehaald. Maar zo is het helemaal niet gegaan! Hij wilt mij ineens de schuld geven van alles, ik heb hem gewoon betaald voor de rit”.
1.6
Naar aanleiding van een bericht van de politie van 7 december 2025 dat verzoeker verdacht wordt van een strafbaar feit met lachgas, heeft de staatssecretaris met het schorsingsbesluit de chauffeurskaart geschorst tot 7 april 2026 vanwege het vermoeden dat hij niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag (VOG). Volgens de staatssecretaris is verzoeker op 7 december 2025 betrokken geweest bij een ernstig incident dat afbreuk doet aan het belang van veilig taxivervoer. Vanwege de ernst hiervan kan de uitkomst van het onderzoek naar de feiten en omstandigheden niet worden afgewacht. In het besluit is vermeld dat verzoeker na vier weken bericht zal ontvangen over het aanvragen van een nieuwe VOG.
Standpunt partijen
2.1
Verzoeker voert aan dat zijn chauffeurskaart ten onrechte is geschorst. Hij heeft zich namelijk niet schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Bij de controle reed hij privé in zijn taxi en was hij niet beroepsmatig actief. Bovendien is het vermoeden dat hij niet langer in aanmerking zou komen voor een VOG onvoldoende gemotiveerd. De schorsing van de chauffeurskaart treft hem onevenredig hard aangezien hij nu geen inkomsten meer heeft en recent is gescheiden. Ter zitting heeft verzoeker benadrukt dat hij slechts wordt verdacht van de aanwezigheid van het lachgas en dat alleen de aanwezigheid van lachgas in zijn taxi nog geen gevaar oplevert voor de verkeersveiligheid. Bovendien staat nog niet vast dat de aanwezigheid hem ook valt toe te rekenen. De tanks waren van de passagier en niet van verzoeker. De staatssecretaris heeft vijf weken gewacht met het nemen van het schorsingsbesluit na de melding van de politie, zodat hieruit ook af te leiden is dat het niet zo ernstig is dat niet gewacht kan worden tot verzoeker een nieuwe VOG kan overleggen.
2.2
De staatssecretaris voert aan dat hij aan de inhoud van genoemd proces-verbaal het
vermoeden heeft kunnen ontlenen dat, gelet op de aard en ernst van de geconstateerde overtreding (de aanwezigheid van lachgas in de taxi), verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG en daarom geen nieuwe VOG zal kunnen overleggen. Voor de staatssecretaris is het belang van veilig taxivervoer in het geding.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3 De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker spoedeisend belang heeft bij de door hem gevraagde voorziening. Zonder zijn chauffeurskaart kan hij namelijk niet als taxichauffeur werken, terwijl hij de inkomsten uit die werkzaamheden wel nodig heeft om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. De staatssecretaris bestrijdt overigens niet dat verzoeker een spoedeisend belang heeft.
4.1
Op grond van artikel 82, zesde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder c, van het Bp 2000 kan de minister, indien hij vermoedt dat de bestuurder van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG, verlangen dat die bestuurder binnen een door hem vast te stellen termijn opnieuw verzoekt om afgifte van een VOG. De bestuurder overlegt binnen een door de minister vast te stellen termijn de nieuwe VOG.
4.2
Op grond van artikel 10, derde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling gebruik boordcomputer en boordcomputerkaarten kan een chauffeurskaart voor een termijn van ten hoogste 12 weken worden geschorst bij het vermoeden dat de bestuurder niet of niet tijdig op grond van artikel 82, zesde lid, in samenhang gelezen met het eerste lid, aanhef en onder d van het Bp 2000, een nieuwe VOG overlegt.
5.1
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de staatssecretaris aan de inhoud van de genoemde processen-verbaal het vermoeden kunnen ontlenen dat verzoeker niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG vanwege de verdenking van het strafbare feit. Zo zijn er vier lachgastanks aangetroffen in de taxi van verzoeker. De passagier heeft aan de politie verklaard dat die tanks niet van haar zijn en dat zij heeft betaald voor de rit. De eigen verklaring van verzoeker dat hij de passagier op haar verzoek heeft opgehaald, omdat zij zich in een onveilige situatie bevond en de lachgastanks van haar zouden zijn, is niet onderbouwd met nadere verklaringen of berichten. Deze verklaring van verzoeker werpt niet een zodanig licht op de processen-verbaal dat de staatssecretaris daaraan niet het vermoeden heeft kunnen ontlenen dat hij niet meer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG. Ter zitting heeft verzoeker toegegeven dat hij wist dat er lachgastanks in zijn taxi lagen. Lachgas staat op de verboden middelen lijst. Er is voldoende informatie voor het vermoeden dat verzoeker niet of niet tijdig een nieuwe VOG zal kunnen overleggen. Daarom was de staatssecretaris bevoegd de chauffeurskaart van verzoeker te schorsen.
5.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de staatssecretaris van zijn bevoegdheid tot schorsing van de chauffeurskaart gebruik mocht maken. De voorzieningenrechter acht de afweging die de staatssecretaris heeft gemaakt niet onredelijk en de gevolgen van het schorsingsbesluit niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel van het waarborgen van de kwaliteit, en dan met name de veiligheid, van het taxivervoer. Dat verzoeker verdacht wordt van het ernstige feit van 7 december 2025 doet het vermoeden ontstaan dat hij niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG waarmee hij aantoont dat zijn gedrag geen bezwaar vormt voor de functie van taxichauffeur. Het is in het belang van het veilig taxivervoer dat de chauffeurskaart geschorst is, omdat nog niet duidelijk is of een VOG kan worden afgegeven. De staatssecretaris heeft dat belang zwaarder mogen laten wegen dan de financiële schade die verzoeker als gevolg van het schorsingsbesluit lijdt. Dat verzoeker tijdens de looptijd van het schorsingsbesluit geen inkomsten heeft en recent is gescheiden, maakt het besluit niet zo onevenwichtig dat de staatssecretaris daarvan af moest zien. Ter zitting heeft verzoeker verklaard nu nog samen met zijn ex in de woning te verblijven en dat zij nog kosten voor hem voldoet. De omstandigheden van het geval waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, kunnen in het kader van een aanvraag van de VOG en een strafprocedure een rol spelen.
Slotsom
6 De voorzieningenrechter concludeert dat de schorsing van de chauffeurskaart naar verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Dit is anders wanneer de chauffeur alsnog een VOG kan overleggen. Daarvan is op dit moment geen sprake. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Smorenburg, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
w.g. M.M. Smorenburg w.g. C.S. de Waal
Afschrift verzonden aan partijen op: