Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen
V.O.F. [naam 1] . en [naam 2] ,te [woonplaats] (vennootschap)
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De minister heeft de basis- en vergroeningsbetaling en de extra betaling jonge landbouwer voor 2018 herberekend en een bedrag van €814,21 teruggevorderd van een vennootschap die inmiddels was ontbonden. De voormalig vennoten stelden dat de randvoorwaarden in 2018 waren nageleefd en dat terugvordering niet mogelijk was na ontbinding.
Het College oordeelde dat het besluit over de randvoorwaardenkorting van 3% uit 2022 niet evident onjuist was en dat de verjaringstermijn van vier jaar niet was overschreden. Hoewel het besluit aan de vennootschap was gericht, had het aan de voormalig vennoten moeten worden gericht, maar zij zijn niet in hun belangen geschaad omdat zij het besluit ontvingen.
De minister was op grond van EU-verordeningen verplicht de betalingen te herberekenen en onverschuldigde betalingen terug te vorderen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de voormalig vennoten tegen de herberekening en terugvordering van GLB-betalingen over 2018 wordt ongegrond verklaard.