Uitspraak
1.[verpachter sub 1],
[verpachter sub 2],
[verpachter sub 3],
Erven [naam erflater],
1.[verpachter sub 1],
[verpachter sub 2],
[verpachter sub 3],
Erven [naam erflater],
Centrale Grondkamer
In deze zaak ging het om de vaststelling van de waarde van een verpachte boerderij en het bijbehorende land, zoals bedoeld in artikel 56c van de Pachtwet. De grondkamer Zuidwest had eerder de waarde vastgesteld op €1.416.450, maar zowel pachter als verpachters gingen in hoger beroep tegen deze beschikking met uiteenlopende wensen voor bijstelling van de waarde.
De Centrale Grondkamer heeft ter plaatse onderzoek laten doen en een deskundigenrapport opgesteld. Tijdens de mondelinge behandeling werden standpunten van partijen toegelicht, waarbij pachter stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met dalende grondprijzen en investeringen, terwijl verpachters onder meer wezen op biedingen van beleggers en relevante transacties.
De Centrale Grondkamer oordeelde dat de werkelijke waarde de prijs is waar redelijk handelende partijen op de markt tot koop en verkoop besluiten. Waarderingen voor fiscale doeleinden en biedingen van beleggers zijn niet zonder meer bepalend, omdat zij niet altijd de marktwerking weerspiegelen. De waarde werd uiteindelijk vastgesteld op €1.581.650. De door deskundigen gemaakte taxatie werd als juist en betrouwbaar beschouwd, waarbij verbeteringen door pachter buiten beschouwing zijn gelaten.
Uitkomst: De werkelijke waarde van de verpachte boerderij en het land is vastgesteld op €1.581.650.