Uitspraak
De erven [naam erflater], zijnde
[verpachtster sub 1], wonende te [woonplaats],
[verpachtster sub 2], wonende te [woonplaats],
[verpachtster sub 3], wonende te [woonplaats],
Centrale Grondkamer
De zaak betreft een geschil tussen verpachters en pachter over een schriftelijk vastgelegde pachtovereenkomst met een kortere duur dan de wettelijke termijn van zes jaar. De pachtovereenkomst betrof percelen weiland in Friesland voor zeven maanden, van 1 april tot 1 november 2007. De grondkamer Noord had de kortere duur reeds afgewezen en de pachtduur op zes jaar gesteld.
Verpachters gingen in hoger beroep tegen deze beslissing en verzochten primair om goedkeuring van de kortere duur, subsidiair vernietiging van de pachtovereenkomst of vaststelling van een kortere duur dan zes jaar. Zij voerden aan dat er bijzondere omstandigheden waren, waaronder afspraken met hun rechtsvoorganger en het niet-bedrijfsmatig karakter van het houden van schapen door pachter.
De Centrale Grondkamer oordeelde dat de pachtovereenkomst een pachtovereenkomst is en dat de grondkamer bij goedkeuring gebonden is aan de schriftelijke vastlegging. De kortere duur behoeft bijzondere omstandigheden die niet aannemelijk zijn gemaakt. De grondkamer volgt verpachters niet in hun stelling dat vernietiging passend is. De wettelijke duur van zes jaar geldt en de pachtprijs kan worden herzien. De beschikking van de grondkamer Noord wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Grondkamer bevestigt de afwijzing van de goedkeuring van de kortere pachtduur en stelt de pachtduur vast op de wettelijke termijn van zes jaar.