Partijen zijn een reguliere pachtovereenkomst aangegaan voor drie jaar, waarbij verpachter aan pachter een ligboxenstal zonder landbouwgrond verpacht. De pachtovereenkomst is ter goedkeuring aan de grondkamer voorgelegd. De grondkamer heeft goedkeuring verleend en bepaald dat de pachter uiterlijk zes maanden voor het einde van de overeenkomst verlenging kan vorderen.
Verpachter ging in beroep bij de Centrale Grondkamer tegen de verlengingsmogelijkheid, stellende dat partijen ook een pachtbeëindigingsovereenkomst hadden gesloten die deze verlenging zou uitsluiten. De Centrale Grondkamer oordeelt dat deze pachtbeëindigingsovereenkomst niet ter goedkeuring is voorgelegd en dat van de wettelijke bepalingen omtrent verlenging niet ten nadele van de pachter kan worden afgeweken.
De Centrale Grondkamer laat de beschikking van de grondkamer in stand en bekrachtigt de goedkeuring van de pachtovereenkomst inclusief de verlengingsmogelijkheid. De beslissing is genomen op 22 mei 2025.