Uitspraak
[naam pachter],
1.De procedure bij de grondkamer
2.De procedure bij de Centrale Grondkamer
3.De redenen voor de beslissing
4.De beslissing
uiterlijk 22 januari 2026uit te laten over de voorgenomen wijziging.
Centrale Grondkamer
In deze zaak heeft de Centrale Grondkamer op 18 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een geschil tussen de Provincie Zuid-Holland als verpachtster en een eenmanszaak als pachter. De verpachtster vroeg goedkeuring voor een geliberaliseerde pachtovereenkomst van een jaar, waarin een tussentijds beëindigingsbeding was opgenomen. De grondkamer Zuidwest had dit beding als buitensporig aangemerkt en geschrapt, wat leidde tot het beroep van de verpachtster bij de Centrale Grondkamer. De Centrale Grondkamer oordeelde dat het tussentijds beëindigingsbeding in de pachtovereenkomst van een jaar inderdaad buitensporig is, maar dat deze buitensporigheid kan worden opgeheven door een schadevergoeding aan de pachter toe te voegen in geval van tussentijdse opzegging. De partijen werden in de gelegenheid gesteld om hun mening te geven over de voorgenomen wijzigingen in de overeenkomst. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een redelijke verhouding tussen de verplichtingen van de pachter en het genot dat hij uit de pachtovereenkomst haalt, en stelt dat een tussentijds beëindigingsbeding dat het financiële risico volledig bij de pachter legt, als buitensporig kan worden beschouwd. De Centrale Grondkamer heeft de partijen de kans gegeven om te reageren op de voorgenomen aanpassingen tot 22 januari 2026.