ECLI:NL:CRVB:1975:1

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 1975
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
ONBEKEND
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 4 Coördinatiewet Sociale VerzekeringArt. 3 lid 1 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 8 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 13 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 77 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling premieplicht werknemer en toepassing art. 11 lid 4 Coördinatiewet Sociale Verzekering

In deze zaak stond centraal of de werknemer, die tevens zwager van de werkgever was, premieplichtig was voor de jaren 1968 tot en met 1970 volgens de Coördinatiewet Sociale Verzekering. De bedrijfsvereniging had aanvankelijk gecommuniceerd dat vanwege de familieband geen sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat de werknemer niet verplicht verzekerd was. Desondanks werd later premie geheven over de betreffende jaren.

De werkgever stelde zich op het standpunt dat de werknemer niet in dienstbetrekking werkzaam was, mede vanwege de familieband. De bedrijfsvereniging baseerde zich op het feit dat het salaris vergelijkbaar was met dat van een vreemde arbeidskracht en dat de werknemer als zodanig was opgegeven bij de belastingdienst, inclusief inhouding van premies en loonbelasting.

De Raad stelde vast dat er sprake was van een dienstbetrekking en dat de bedrijfsvereniging op grond van art. 11 lid 4 Co Proördinatiewet verplicht was premie vast te stellen, ook als achteraf bleek dat aanvankelijk geen premie was geheven. Tegelijk erkende de Raad dat in bijzondere gevallen strikte toepassing van deze wetsbepaling in strijd kan zijn met ongeschreven recht, waardoor geen rechtsplicht meer bestaat. De Raad oordeelde dat onvoldoende gegevens aanwezig waren om te bepalen of dit bijzondere geval zich voordeed en gaf opdracht tot een nadere beslissing.

De uitspraak benadrukt het belang van ondubbelzinnige schriftelijke communicatie van de bedrijfsvereniging aan de belanghebbende en de mate waarin de belanghebbende redelijkerwijs mocht vertrouwen op verstrekte informatie. Tevens werd gewezen op de mogelijke onredelijke gevolgen van wijziging van eerder ingenomen standpunten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en beveelt een nadere beslissing over de premieplicht met inachtneming van de overwegingen omtrent vertrouwen en ongeschreven recht.

Uitspraak

CENTRALE RAAD VAN BEROEP
Uitspraakdatum: 18 februari 1975.

Zaaknummer: onbekend

UITSPRAAK
De Grafische Bedrijfsvereniging, eiser,
tegen
[A. te B.] , gedaagde.
I. Ontstaan en loop van het geding.
Bij brief d.d. 17 dec. 1971 is aan gedaagde kennis gegeven van de navolgende beslissing:
,,Het bestuur van de Grafische Bedrijfsvereniging, te Amsterdam en kantoor houdende aldaar, aan het Zwaansvliet 3, hierna te noemen ,,de bedrijfsvereniging”,
Gezien het verzoek van Mr. J. F. L. G., A.straat ... te K., gedaan namens [A. te B.] , A.straat ..., hierna te noemen ,,de werkgever”, om een voor beroep vatbare beslissing betreffende de ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Werkloosheidswet, de Ziektewet en de Ziekenfondswet over de jaren 1968, 1969 en 1970 voor [C.] verschuldigde premies;
In aanmerking nemende:
dat [C.], geboren [geboortedag] 1946, hierna te noemen de werknemer en zwager van de werkgever, van 1 mei 1968 tot 1 nov, 1970 tegen loon werkzaam is geweest [A.] , handelend onder de naam [handelsnaam] .; dat de werkgever meent dat de werknemer niet in dienstbetrekking werkzaam is geweest omdat vóór 1 juli 1967 de werknemer als niet verplicht verzekerd ingevolge de sociale-verzekeringswetten werd beschouwd en ook na die datum de familieverhouding van doorslag gevende betekenis zou zijn geweest;
dat bij een door de bedrijfsvereniging in gesteld onderzoek betreffende de omstandigheden waaronder na 1 juli 1967 de arbeid werd verricht is gebleken dat het salaris van de werknemer gebaseerd is geweest op dat van een vreemde arbeidskracht met soorgelijke opleiding; dat betrokkene van 1 mei 1968 tot 1 nov. 1970 aan de belastingdienst is opgegeven als werknemer;
dat op het aan de werknemer uitbetaalde loon premie krachtens de AOW en ook loonbelasting is ingehouden en dat de werknemer wegens gebrek aan voldoende werk op 1 nov. 1970 werd ontslagen;
dat hieraan even zovele argumenten kunnen worden ontleend om aan te nemen dat de werknemer van 1 mei 1968 tot 1 nov. 1970 in dienstbetrekking werkzaam is geweest;
dat de werknemer premie verschuldigd is over het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering op grond van het bepaalde in art. 77 Wet Pro op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, art. 25 Werkloosheidswet Pro, art. 60 Ziektewet Pro en de artt. 15 en 16 Ziekenfondswet; dat de bedrijfsvereniging zich wat de vaststelling van het loon betreft waarover premie moet worden berekend, geconformeerd heeft aan de bij de Inspectie der Belastingen te Kerkrade verantwoorde en door die Inspectie geaccepteerde loongegevens;
Gelet op:
de artt. 3, eerste lid, 8, 13 en 77 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
de artt. 3, eerste lid, 8, 12 en 25 Werkloosheidswet;
de artt. 3, eerste lid, 9, 14 en 60 Ziektewet;
de artt. 3, eerste lid, 5, 15 en 16 Ziekenfondswet;
de artt. 4 en 11 Coördinatiewet Sociale Verzekering;
Beslist:
de door G. J. J. N. over de jaren 1968, 1969 en 1970 verschuldigde premies vast te stellen als volgt:
Voor premieberekening in aanmerking komend loon
Premiepercentage
Verschuldigde premie
1968
WAO
F 3920
4,2
F 164,64
W.W.
F 3920
1
F 39,20
Z.W.
F 3920
6,2
F 243,04
ZFW
F 3920
7,2
F 282,24
Totaal 1968
F 729,12
1969
WAO
F 5226
5,1
F 266,53
W.W.
F 5226
1
F 52,26
Z.W.
F 5226
6,2
F 324,01
ZFW
F 5226
7,5
F 391,95
Totaal 1969
F 1034,75
1970
WAO
F 4322
5,3
F 229,07
W.W.
F 4322
1
F 43,22
Z.W.
F 4322
6,4
F 276,61
ZFW
F 4322
7,5
F 324,15
Totaal 1970
F 873,05
De Raad van Beroep te Roermond heeft bij uitspraak d.d. 22 mei 1973 die beslissing, waartegen gedaagde beroep had ingesteld, vernietigd en bepaald dat eiser terzake een nadere beslissing diende te nemen met inachtneming van het in die uitspraak gestelde.
Eiser heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden heeft hij de Raad verzocht die uitspraak te vernietigen en de bestreden beslissing te bevestigen.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 7 jan. 1975. Voor eiser is daar opgetreden Mr.C. de Bo., werkzaam bij bovengenoemde bedrijfsvereniging. Gedaagde is ter terechtzitting in persoon verschenen, daartoe ambtshalve op geroepen, en bijgestaan door Mr. J. F. L. G.,
adv. en proc. te K. Als getuige is ter terechtzitting verschenen, daartoe ambtshalve opgeroepen, [C.] (in de bestreden beslissing aangeduid als [C.]), te K.
II. Motivering.
Bij brief d.d 27 juni 1966 is vanwege eiser aan gedaagde het volgende medegedeeld:
,,Uit de inlichtingen maken wij op dat de heer [C.] (geb. [geboortedag] 1946) uw zwager is, bij u inwoont en samen met u in het bedrijf werkt onder omstandigheden die niet gelijk zijn aan die van personeel dat normaal in loondienst is.
Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht omdat de familieband tussen u en hem van invloed is.
Op grond hiervan beschouwen wij uw zwager als niet verplicht verzekerd ingevolge de socialeverzekeringswetten; wij zullen u dus niet als werkgever inschrijven.
De mogelijkheid bestaat voor hem een vrijwillige ziekengeldverzekering af te sluiten; desgewenst lichten wij u daarover graag in.”.
Op de gronden, vermeld in de onder 1 aangehaalde beslissing, heeft eiser niettemin besloten er toe over te gaan ten laste van gedaagde over de jaren 1968, 1969 en 1970 premie te heffen ingevolge de in die beslissing genoemde wetten.
Gedaagde is tegen die premieheffing opgekomen, zich daarbij met name beroepende op de hem vanwege eiser bij de brief van 27 juni 1966 gedane mededeling.
De eerste rechter heeft het door gedaagde in gestelde beroep gegrond geoordeeld, na onder meer te hebben overwogen, dat weliswaar
a. Niet langer in geschil was dat B. als werknemer in dienst van gedaagde werkzaam was,
en
b. art. 11, vierde lid, Coördinatiewet Sociale Verzekering voor de bedrijfsvereniging de verplichting inhoudt tot premievaststelling over te gaan, ook indien achteraf blijkt dat ten onrechte geen bedrag aan premie is vastgesteld, maar
c. eiser, beslissende als hij heeft gedaan, in strijd is gekomen met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en
d. schending van algemene rechtsbeginselen dan wel algemene beginselen van behoorlijk bestuur mede kan brengen, dat aan het uitvoeringsorgaan toepassing van een bepaling van dwingend recht in de volstrekte vorm zoals deze is geformuleerd moet worden ontzegd, waarbij met name moet worden gedacht aan de toegepaste terugwerkende kracht over (vrijwel) de gehele periode waarover dit wettelijk mogelijk was.
Eiser heeft hiertegen aangevoerd, dat het hem in beginsel — kennelijk is hier gedacht aan een beginsel waarop geen uitzondering kon worden toegestaan — ontoelaatbaar voorkomt, aan te nemen dat het uitvoeringsorgaan onder bepaalde omstandigheden op grond van een algemeen rechtsbeginsel niet meer bevoegd zou zijn aan art. 11, vierde lid, Coördinatiewet Sociale Verzekering toepassing te geven; deze opvatting ligt klaarblijkelijk ook aan de bestreden beslissing ten grondslag.
De Raad. die evenals de eerste rechter aanneemt dat in de jaren 1968 t/m 1970 een dienstbetrekking tussen gedaagde en zijn zwager B. bestond, kan deze opvatting in haar volstrektheid niet tot de zijne maken. Bijzondere gevallen zijn denkbaar, waarin strikte toepassing van bedoelde wetsbepaling in die mate in strijd zou komen met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn.
Voor de beoordeling van de vraag of zich een dergelijk bijzonder geval ten deze voordoet, is van belang of de bedrijfsvereniging in ondubbelzinnige schriftelijke uitlatingen, zonder dat onjuiste of onvolledige inlichtingen van de zijde van belanghebbende hiertoe aanleiding hebben gegeven, aan de belanghebbende te kennen heeft gegeven dat hij niet als premieplichtige werkgever in de zin van toepasselijke wetten is aan te merken, of de onjuistheid van (of het niet meer van toepassing zijn van) die uitlatingen niet is of behoorde te worden onderkend, of de belanghebbende redelijkerwijs (nog) op de juistheid van de hem verstrekte inlichtingen mocht vertrouwen en of wijziging van het aan de belanghebbende mededegedeelde standpunt tot kennelijk onredelijke gevolgen zou leiden.
De gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting hebben onvoldoende gegevens opgeleverd om de vraag te kunnen beantwoorden of zodanig bijzonder geval zich thans voordoet.
De Raad acht het aangewezen dat eiser aan de hand van het vorenoverwogene een nadere beslissing neemt.
Derhalve moet worden beslist als volgt.
III. Beslissing.
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat eiser een nadere beslissing zal dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in onderdeel II van deze uitspraak is overwogen.