Uitspraak
I.
II.
AB 1987, 543, alsmede zijn uitspraken van 5 januari 1988, AAW 1981/B 126,
RSV 1988/198,
AB 1988, 253; AAW 1983/S 22,
RSV 1988/199,
AB 1988, 254; AAW 1983/S 90,
RSV 1988/200, en AAW 1982/S 122,
AB 1988, 252, heeft doen blijken, is art. 26 IVBP Pro, mede gelet op art. 2 van Pro dat Verdrag, ook van betekenis waar het gaat om sociale-zekerheidsrechten en vergelijkbare aanspraken. Met name komt hier — naar uitdrukkelijk uit de evenvermelde uitspraken van 5 jan. 1988 blijkt — te dezen geen art. 26 IVBP Pro uitsluitende betekenis toe aan de omstandigheid dat ten aanzien van sociale-zekerheidsrechten bij het te zelfder tijd en plaatse tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (Trb. 1978, 178) in verplichtingen voor de verdragsluitende partijen is voorzien tot het op nationaal niveau (nader) gestalte geven van de in laatstbedoeld Verdrag erkende rechten. Overwegingen van eenzelfde inhoud als ten grondslag liggende aan vorenvermelde uitspraken voeren de Raad ook ten aanzien van de AWW tot het oordeel dat art. 26 IVBP Pro betekenis heeft.
‘I.
II.
AB 1986, 38 (https://new.navigator.nl/document/id157719851004premie198324ab198638dosred), (verplichte sociale verzekering directeuren/grootaandeelhouders) uitgestelde werking doen bepleiten, zich daarbij beroepende op verschil in benadering uit hoofde van art. 26 IVBP Pro op het stuk van discriminatie in uitspraken als de vorengenoemde in vergelijking met een aantal uitspraken van de Raad van 1 november 1983, in het bijzonder de op de toepassing van de AWW in een vergelijkbaar geval betrekking hebbende uitspraak van die datum, AWW 1982/10, RSV 1984/150. De Raad ziet hier geen plaats voor (extra) respijt langs de weg van uitgestelde werking bij wege van jurisprudentieel overgangsrecht. Het moge zijn dat in uitspraken als de laatstbedoelde niet werd gerept over een eventuele rechtstreekse werking van art. 26 IVBP Pro op het terrein van de sociale zekerheid wanneer de geleidelijke opheffing der discriminatie na verloop van tijd niet zou blijken haar beslag te hebben gekregen als gevolg van een niet totstandbrengen van daartoe nodige wetswijzigingen, in het gewag maken van een te aanvaarden geleidelijkheid bij bedoelde opheffing kan eerder een rechterlijk markeren van een niet te lange nog voor die opheffing ten dienste staande periode worden gezien dan een rechterlijke geruststelling dat met die opheffing niet op afzienbare termijn ernst zou behoeven te worden gemaakt. Wat daarvan intussen ook zij, met het meewerken aan het ingaande 11 maart 1979 van kracht worden van — ook — art. 26 IVBP Pro heeft de wetgever de verplichting aanvaard de bij dat artikel gewraakte discriminatie op te heffen. Die verplichting heeft de wetgever voorts nog onderstreept bij het totstandbrengen van de nieuwe Grondwet met art. 1 daarvan Pro. Ook verder staat de in dit geding aan de orde zijnde situatie ver af van die in vorengenoemde uitspraak van 4 okt. 1985.