ECLI:NL:CRVB:1990:ZB1111

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 april 1990
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
WAO 85/S 46
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres ontving een WAO-uitkering die aanvankelijk was toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, later herzien naar 35 tot 45%. In 1981 werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 15%, waarna gedaagde de uitkering introk met ingang van 1 mei 1981.

Eiseres voerde aan dat niet gedaagde, maar het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Cafe- en Aanverwante Bedrijven bevoegd was tot het beëindigen van de uitkering. Gedaagde erkende zijn onbevoegdheid tot toekenning, maar stelde dat alleen hij de uitkering kon intrekken.

De Raad oordeelde dat een in rechte onaantastbaar geworden uitkering alleen door het orgaan dat deze heeft toegekend kan worden ingetrokken. De intrekking was niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook de gerelateerde weigeringsbeslissing werd als rechtmatig beoordeeld.

Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep ongegrond en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

Uitspraak in het geding tussen A.G. M., te M., eiseres, en het bestuur van de Nieuwe Algemene BV, gedaagde
I. Ontstaan en loop van het geding
Bij voor beroep vatbare beslissing van 3 november 1981 is eiseres vanwege gedaagde in kennis gesteld van de beslissing tot beeindiging met ingang van 1 mei 1981 van de haar eerder door gedaagde toegekende uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) omdat gedaagde heeft aangenomen dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres ingaande genoemde datum is gedaald beneden 15%.
Voorts is eiseres bij genoemde beslissing medegedeeld, dat gedaagde heeft besloten niet te haren gunste terug te komen op het eerder ingenomen standpunt ten aanzien van het voor haar geldende maatvrouw-inkomen.
De Raad van Beroep te Amsterdam heeft bij uitspraak van 28 december 1984 het tegen die beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens eiseres heeft M.J. A., wonende te M., tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Deze gemachtigde heeft de Raad verzocht zich uit te spreken over hetgeen hij in zijn beroepschrift heeft overwogen.
Vanwege gedaagde is bij brief van 3 maart 1989 gereageerd op het in het beroepschrift gestelde. Voornoemde gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 9 maart 1989 zijn standpunt nader naar voren gebracht. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 7 april 1989, waar eiseres in persoon is verschenen met bijstand van M.J. A., voornoemd, als haar raadsman en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.A. P., werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK).
Naar aanleiding van een desbetreffend bevel van de Raad d.d. 17 mei 1989 is de behandeling van het geding hervat ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 8 maart 1990, waar eiseres opnieuw in persoon is verschenen met bijstand van M.J. A., voornoemd, als haar raadsman en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. B., werkzaam bij het GAK.
II. Motivering
De Raad verwijst naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoerige uiteenzetting van de in dit geding aan de orde zijnde feiten en omstandigheden, welke de Raad aldus samenvat:
Naar aanleiding van een aan de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging gerichte arbeidsongeschiktheidsmelding d.d. 25 augustus 1977, heeft gedaagde eiseres bij brief van 19 juli 1979 in kennis gesteld van de beslissing waarbij aan haar een uitkering is toegekend krachtens de WAO met ingang van 1 november 1974, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij brief van 20 juli 1979 is eiseres vanwege gedaagde in kennis gesteld van de beslissing dat de WAO-uitkering met ingang van 10 juli 1978 wordt herzien en nader wordt vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
Op 35-jarige leeftijd van eiseres, begin 1981, moet de aan de toekenningsbeslissing ten grondslag gelegde maatvrouw niet meer de juiste maatvrouw geacht worden; blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende arbeidskundige rapport d.d. 1 maart 1979 was tussen partijen in confesso dat de (ook reeds op dat moment) als administratief medewerkster uitgeoefende werkzaamheden dan de werkzaamheden van de maatvrouw zullen zijn. Bij schrijven van 27 februari 1981 wordt eiseres in kennis gesteld van een nadere vaststelling van het WAO-dagloon, welke beslissing is genomen na voorlegging aan de zogeheten Kleine Commissie van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Cafe-, Pension- en Aanverwante Bedrijven, welke bedrijfsvereniging door eiseres bevoegd geacht wordt te beslissen in deze.
Naar aanleiding van een desbetreffende zogenoemde voorlegger-WAO heeft de Kleine Commissie van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Cafe-, Pension- en Aanverwante Bedrijven op 23 juni 1981 onder meer besloten de aan eiseres (door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging) toegekende WAO-uitkering met ingang van 1 mei 1981 in te trekken, daar eiseres sedert die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt te achten was.
Bij nota van 14 oktober 1981 heeft (opnieuw) voorlegging plaatsgevonden nu aan zowel de Kleine Commissie van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Cafe- en Aanverwante Bedrijven als aan de Kleine Commissie van het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Met het in die nota gegeven advies, luidende: 'WAO/AAW-uitkering intrekken met ingang van 1 mei 1981 (BV.26 de BV.22 trekt de beslissing d.d. 23 juni 1981 in niet ten gunste van betrokkene terugkomen op eerdere beslissingen met betrekking tot maatman-inkomen' zijn evengenoemde commissies akkoord gegaan. Hierop heeft gedaagde de thans bestreden beslissing genomen.
De Raad dient in dit geding allereerst de vraag te beantwoorden of gedaagdes beeindigingsbeslissing de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Eiseres is van opvatting dat zulks niet het geval is en met name op grond van de omstandigheid dat niet gedaagde maar het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Cafe- en Aanverwante Bedrijven bevoegd is (tot beeindiging van de WAO-uitkering) omdat ook slechts laatstgenoemd bestuur bevoegd zou zijn geweest - in afwijking van de bovengeschetste feitelijke gang van zaken - tot toekenning van die uitkering.
Gedaagde is het met het laatste deel van de opvatting van eiseres eens, maar stelt voorts dat de WAO-uitkering die door hem - onbevoegdelijk - maar bij een in rechte onaantastbaar geworden beslissing is toegekend, slechts door hem kan worden beeindigd.
De Raad deelt deze laatste stelling van gedaagde: een door een orgaan als gedaagde toegekende in rechte onaantastbaar geworden WAO-uitkering kan in beginsel (slechts) door dat zelfde orgaan worden ingetrokken.
Gezien de opstelling van eiseres en haar eigen, door de Raad juist geachte, oordeel omtrent de bevoegdheid tot toekenning van haar WAO-uitkering alsmede gezien haar bekendheid (zo niet instemming) met het moment waarop haar latere werkzaamheden tot werkzaamheden van haar maatvrouw zouden worden, beantwoordt de Raad de evengeformuleerde vraag bevestigend. De Raad overweegt daarbij in het bijzonder dat gedaagde door tot beeindiging over te gaan zoals boven is uiteengezet, niet in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel.
Gelet op de verwevenheid met de zoeven behandelde beeindigingsbeslissing van de eveneens in geding zijnde onder I weergegeven weigeringsbeslissing en gegeven de omstandigheid dat het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Cafe-, Pension- en Aanverwante Bedrijven door middel van de onder de feiten vermelde voorlegging (mede) gemengd is geweest in deze kwestie - met het door de Raad van Beroep in de aangevallen uitspraak gegeven inhoudelijke oordeel omtrent deze beslissing kan de Raad zich overigens verenigen -, moet ook van deze weigeringsbeslissing gezegd worden dat deze de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
Nu het namens eiseres ingestelde beroep door de Raad van Beroep in de aangevallen uitspraak terecht ongegrond is verklaard, komt ook het hoger beroep in aanmerking voor ongegrondverklaring, zodat wordt beslist als volgt.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
recht doende in naam der Koningin!
Verklaart het hoger beroep ongegrond.