ECLI:NL:CRVB:1994:AN3766

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 1994
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AW 1993/224
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bekker
  • W. van den Brink
  • Ch.J.G. Olde Kalter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 19 BBRA 1984Art. 25 lid 2 BBRA 1984Algemene wet bestuursrechtAmbtenarenwet 1929
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak over vertrouwensbeginsel bij toekenning tijdelijke toelage ambtenaar

Eiser stelde beroep in tegen de impliciete weigering van de Kroon om hem een tijdelijke toelage toe te kennen op grond van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De rechtbank had het beroep afgewezen en oordeelde dat het besluit niet in strijd was met het vertrouwensbeginsel omdat de toelage door de Kroon wordt toegekend, niet door de Minister van Verkeer en Waterstaat.

Eiser richtte zijn hoger beroep tegen een overweging van de rechtbank die stelde dat klagers redelijkerwijs op de hoogte konden zijn van de bevoegdheid van de Kroon en dat het vertrouwensbeginsel daarom niet van toepassing was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze overweging onderdeel uitmaakt van de beoordeling en dat eiser ontvankelijk is in hoger beroep.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de Kroon niet het verwijt kan worden gemaakt verwachtingen te hebben gewekt. De Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en bevestigde de bestreden uitspraak voor zover aangevochten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

Uitspraak

AW 1993/224
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de Ministers van Algemene Zaken, van Binnenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat, als vertegenwoordigers van H.M. de Koningin, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Eiser heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen, als hierna aangegeven, tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 9 maart 1993 onder diverse nummers, waaronder nr. AW 91/36, gegeven uitspraak. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen.
Namens gedaagde heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat van contra-memorie doen dienen.
Desgevraagd zijn namens de Minister van Binnenlandse Zaken nog enige stukken aan de Raad toegezonden.
Van de zijde van eiser is op 23 maart 1994 een nader besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van
28 februari 1994 aan de Raad overgelegd.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van 24 maart 1994, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.T. Pel, advocaat en procureur te Hattem.
Gedaagde heeft zich niet ter terechtzitting doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet - gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Eiser heeft (met anderen) bij de arrondissementsrechtbank beroep ingesteld tegen de impliciete weigering van de Kroon, blijkende uit het koninklijk besluit van 24 november 1986, nr. 14, hem op grond van artikel 19 juncto Pro artikel 25, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA 1984) een tijdelijke toelage toe te kennen.
Voor een overzicht van de feiten wordt overigens verwezen naar de aangevallen uitspraak.
Het beroep van eiser tegen die uitspraak is niet gericht tegen de beslissing van de rechtbank het koninklijk besluit van 24 november 1986, nr. 14, nietig te verklaren, maar tegen een overweging welke de rechtbank als "ten overvloede" in haar uitspraak heeft opgenomen.
Deze overweging houdt samengevat in, dat het bestreden besluit niet in strijd geacht kan worden met het vertrouwensbeginsel, omdat de toelage, in geding, niet door de Minister van Verkeer en Waterstaat wordt toegekend, maar, op voordracht van drie ministers, door de Kroon. Zulks brengt mee, aldus de rechtbank, dat het niet uitsluitend in de macht van de Minister van Verkeer en Waterstaat ligt aan diens ambtenaren deze toelage toe te kennen.
Klagers kunnen, vervolgt de rechtbank, redelijkerwijs geacht worden van deze omstandigheid op de hoogte te zijn geraakt, hetzij door kennisneming van de artikelen 19 en 25, tweede lid, van het BBRA 1984, hetzij door de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 januari 1985 of anderszins.
De Raad overweegt ter zake het volgende.
De rechtbank toetst in haar uitspraak het bestreden besluit aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en oordeelt dat de aan dat besluit ten grondslag liggende voordracht, en daarmee dat besluit zelve, in strijd is met die beginselen, welke vorderen dat besluiten zorg-vuldig worden voorbereid en dat besluitvorming pas plaatsvindt na afweging van de in aanmerking komende belangen. Na deze conclusie geeft de rechtbank de bovenvermelde overweging "ten overvloede".
In feite bevat deze overweging echter evenzeer een toetsing van het besluit aan een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zij het dat in dit geval geen reden wordt gezien voor de conclusie dat sprake is van strijd met dat beginsel.
De Raad is daarom van oordeel dat bedoelde overweging inzake het vertrouwensbeginsel, evenzeer als de eerdere overwegingen, een onderdeel vormt van de beoordeling van het besluit door de rechtbank en deel uitmaakt van de overwegingen van de rechtbank voor haar beslissing.
Tegen de overwegingen van de rechtbank voor haar beslissing kan hoger beroep worden ingesteld, indien (ook) overigens aan de voor het instellen van beroep geldende vereisten is voldaan. Nu in casu (ook) het laatste het geval is, oordeelt de Raad dat eiser ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
De Raad is, met de rechtbank van oordeel, dat eisers beroep op het vertrouwensbeginsel als nadere grond voor vernietiging van het besluit, faalt.
Evenals de rechtbank oordeelt de Raad dat aan het bevoeg-de orgaan ter zake, de Kroon, niet het verwijt kan worden gemaakt dat het bij eiser omtrent de toekenning van de toelage verwachtingen heeft opgewekt.
De Raad kan zich met de overwegingen ter zake van de rechtbank verenigen.
Het vorenstaande brengt mee dat moet worden beslist tot bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover deze in hoger beroep is aangevochten.
Gelet op het hiervoor overwogene ziet de Raad geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. H. Bekker als voorzitter en mr. W. van den Brink en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 april 1994 door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.
(get.) H. Bekker.
(get.) I. de Hartog.