ECLI:NL:CRVB:1994:ZB3028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- P.H. Hugenholtz
- T. Hoogenboom
- M.F. Leewis
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid en verwijtbare werkloosheid door belemmerende eisen aan passende arbeid
Gedaagde was wegens ziekte arbeidsongeschikt en hervatte gedeeltelijk werk, maar nam ontslag vanwege onmogelijkheid om opvang voor zijn jonge kinderen te regelen volgens zijn wensen. Hij vroeg een WW-uitkering aan, die werd ingetrokken omdat hij niet beschikbaar zou zijn voor arbeid. De Raad oordeelde dat gedaagde weliswaar voorwaarden stelde aan de arbeid vanwege kinderopvang, maar dat hij zich voldoende inspande om werk te vinden en niet ondubbelzinnig niet beschikbaar was.
De Raad overwoog dat gedaagde financieel niet in staat was betaalde opvang te regelen, geen kosteloze opvang beschikbaar was en hij niet afhankelijk wilde zijn van familie. Ondanks deze belemmeringen had hij gesolliciteerd en zich ingeschreven bij het arbeidsbureau. Zijn voormalige werkgever was bereid hem terug te nemen zodra opvang geregeld was.
De Raad stelde dat de situatie mogelijk valt onder artikel 24, lid 1, sub b, onderdeel 4 van de WW, omdat de gestelde eisen het aanvaarden van passende arbeid kunnen belemmeren. De Raad benadrukte dat gedaagde zich niet ruimer had opgesteld dan werk als stratemaker of gelijksoortige arbeid. De terugvordering van voorschotten werd eveneens vernietigd omdat nog niet vaststond dat deze onverschuldigd waren betaald.
De Raad bevestigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde eiser in de proceskosten. Eiser moet een nadere beslissing nemen rekening houdend met deze uitspraak.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering en de terugvordering van voorschotten worden vernietigd; eiser moet een nadere beslissing nemen.