ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.F.M. Brenninkmeijer
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- L.J.A. Damen
- Rechtspraak.nl
Geen verjaring aansprakelijkstelling bestuurders op grond van artikel 16d CwSV
De zaak betreft de aansprakelijkstelling van een voormalig bestuurder van twee besloten vennootschappen voor onbetaald gelaten premies over meerdere jaren. De rechtbank Haarlem had de aansprakelijkstellingen vernietigd, onder meer wegens verjaring van de aanspraken over het jaar 1986. De rechtbank oordeelde dat artikel 13 van Pro de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CwSV) van toepassing was op de aansprakelijkstelling op grond van artikel 16d CwSV.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat artikel 16d CwSV expliciet het bepaalde in artikel 13 CwSV Pro niet van overeenkomstige toepassing verklaart, waardoor de verjaringstermijn niet geldt voor deze aansprakelijkstelling. De Raad wijst op de memorie van toelichting waarin wordt toegelicht dat de verjaringstermijnen voor bestuurders gekoppeld zijn aan die van de hoofdschuldenaar en dat een aparte termijn voor bestuurders niet is gewenst.
Daarnaast oordeelt de Raad dat ambtshalve premievaststelling op zichzelf niet gelijkstaat aan het instellen van een strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM Pro, maar dat dit pas het geval is indien een verhoging wordt verbonden aan die vaststelling. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de aansprakelijkstelling wegens verjaring heeft afgewezen en wijst op de noodzaak voor appellant om de juistheid van de premievaststelling kritisch te bezien bij eventuele hernieuwde aansprakelijkstelling.
Uitkomst: De aansprakelijkstelling van de bestuurder op grond van artikel 16d CwSV is niet verjaard; de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de aansprakelijkstelling wegens verjaring heeft afgewezen.