AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging adequaatheid collectief vervoerssysteem voor gehandicapte in Maastricht
Appellante, een gehandicapte woonachtig te B., maakte bezwaar tegen het besluit van de gemeente Maastricht om haar individuele vervoerskostenvergoeding te vervangen door deelname aan het collectief vervoerssysteem 'Vervoer op Maat'. De gemeente stelde dat dit systeem een adequate voorziening is conform de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de gemeentelijke verordening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad beoordeelde of het collectief taxivervoer met een aanvullende jaarlijkse vergoeding van f 475,-- een toereikende voorziening vormde. Medische adviezen en het dossier wezen uit dat appellante zonder begeleiding gebruik kon maken van het collectief vervoer, inclusief hulp bij in- en uitstappen.
De Raad oordeelde dat de gemeente binnen haar beleidsvrijheid en wettelijke kaders handelde door prioriteit te geven aan het collectief vervoerssysteem. Er waren geen zwaarwegende omstandigheden of medische beperkingen die rechtvaardigden dat appellante recht had op voortzetting van de individuele vergoeding. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt afgewezen en het collectief vervoerssysteem blijft als adequate voorziening gehandhaafd.
Uitspraak
96/1235 WVG
U I T S P R A A K
A., wonende te B., appellante,
en
het college van burgemeesters en wethouders van de
gemeente Maastricht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Gedaagde heeft bij een - hierna onder II meer uitvoerig
weergegeven - ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten
(WVG) genomen besluit van 18 april 1995 jegens appellante
onder meer overwogen dat in haar situatie het per 1 maart
1995 in Maastricht van start gegane systeem van
collectief vervoer van deur tot deur als een adequate
voorliggende voorziening moet worden beschouwd. Bij dat
besluit is voorts appellantes bezwaar tegen gedaagdes
eerdere primaire besluit d.d. 12 december 1994 afgewezen.
De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft het
namens appellante tegen voormeld besluit van 18 april
1995 ingesteld beroep ongegrond verklaard bij een tussen
partijen gewezen uitspraak van 20 december 1995, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen
bij de Raad. In het namens haar ingediende beroepschrift
zijn de gronden van het onderhavige hoger beroep uiteengezet.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en
- desverzocht - bij begeleidend schrijven van 23 augustus
1996 nadere gegevens ingezonden over het collectief
vervoer in Maastricht en de daaraan verbonden kosten.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden
op 17 september 1996. Appellante is daar niet verschenen.
Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen
door H.M. Pluymaeckers, werkzaam bij de afdeling sociale
zaken en welzijn van de gemeente Maastricht.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft appellante, geboren in 1932 en woonachtig
te B., in het kader van de WVG van 1 april 1994
tot 1 maart 1995 in het genot gesteld van een forfaitaire
vervoerskostenvergoeding ad f 135,-- per maand. Die voorziening
is door gedaagde met ingang van 1 maart 1995 in
verband met de invoering in Maastricht van het zogenoemd
collectief vervoer gewijzigd bij primair besluit van
12 december 1994. Bij dat besluit werd appellante op de
voet van de gemeentelijke Verordening Voorzieningen
Gehandicapten (hierna: de verordening) in aanmerking
gebracht voor deelname - onder begeleiding - aan het
collectief systeem van al dan niet aanvullend openbaar
vervoer (zogenoemd Vervoer op maat-systeem).
Naar aanleiding van het door appellante tegen het
zoëvengenoemd besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde
bij het onder I vermeld besluit van 18 april 1995 onder
meer het volgende overwogen:
"Kort samengevat voert u aan dat deelname aan het
vervoer op maat-systeem voor u niet mogelijk is m.n.
omdat u veelal niet kunt beschikken over begeleiding
die u bij dat collectieve vervoer noodzakelijk acht.
Tijdens een hoorzitting op 06-01-1995 heeft uw zoon
en gemachtigde, het bezwaarschrift mondeling toegelicht.
Benadrukt werd dat het (bijna) wekelijke bezoeken
van uw schoonzuster in Maastricht voor u een zeer
belangrijk sociaal kontakt is; uw vervoer hiernaar
toe via Vervoer op maat wordt door uw gemachtigde
aangemerkt als van aanzienlijk langere duur dan per
taxi en als zodanig als kapitaalvernietiging.
Verder werd meegedeeld dat u weliswaar enkele dagen
per week begeleid kunt worden door de thuiszorg,
maar u daarnaast en met name 's avonds meestal niet
over begeleiding beschikt. Naar aanleiding van de
mededeling dat uw medische toestand sinds medio 1994
is verslechterd, werd een hernieuwd medisch
onderzoek door de Gemeenschappelijke
Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg verricht
(op 23-01-1995). Bij schrijven van 27-01-1995 werd
aan u het medisch advies van de GGD toegezonden en u
de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen op dit
advies te reageren. Die termijn is verstreken zonder
dat van of namens u een reaktie werd ontvangen.
De overwegingen:
Met het bezwaarschrift heeft u de bedoeling, dat de
individuele geldelijke vergoeding voor
vervoerskosten, welke u tot 1 maart 1995 was
toegekend wegens het ontbreken van het collectief
systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer,
ook nu dit systeem is ingevoerd, vanaf 1 maart 1995
wordt voortgezet.
Vanaf 1 april 1994 is de Wet voorzieningen
gehandicapten van toepassing. Deze wet draagt de
gemeentebesturen op zorg te dragen voor de verlening
van onder meer vervoersvoorzieningen ten behoeve van
deelneming aan het maatschappelijk verkeer (art. 2 WvgPro).
Welke voorzieningen dat zouden moeten zijn is niet
in de wet vastgelegd.
Aldus is er een gemeentelijke beleidsvrijheid ten
aanzien van de omvang en de inhoud van het lokale
voorzieningenpakket en wordt het gemeentebestuur in
staat gesteld om, gelet op de behoefte van de
individuele gehandicapte en de lokale mogelijkheden,
op een flexibele, efficiënte wijze de beperkingen
die de gehandicapte bij het zich binnen of buiten de
woning verplaatsen ondervindt weg te nemen of te verminderen.
De gemeenten krijgen op dit terrein veel meer
mogelijkheden, onder andere om in de plaats van
individuele financiële tegemoetkomingen andere
voorzieningen aan te bieden, zoals collectieve
vervoersvoorzieningen.
De voorzieningen die de gemeente aanbiedt dienen
verantwoord te zijn. Onder verantwoorde
voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die
doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden
verleend, met andere woorden er dient sprake te zijn