ECLI:NL:CRVB:1997:AA8501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.C. Cusell
- T. Hoogenboom
- B.I. Klaassens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig lederbewerkster, werd op 9 augustus 1993 arbeidsongeschikt verklaard vanwege rug- en beenklachten en ontving een uitkering op grond van de Ziektewet. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) weigerde aansluitend uitkeringen op grond van de AAW en WAO toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat medisch gezien de beperkingen van appellante juist waren vastgesteld en dat zij geschikt werd geacht voor passend werk. Echter, de Raad oordeelde dat de arbeidskundige beoordeling onvoldoende was omdat het Lisv voltijdse functies als passend had aangemerkt zonder rekening te houden met het feit dat appellante in deeltijd werkte. De Raad benadrukte dat functies die als passend worden beschouwd ook daadwerkelijk in deeltijd moeten kunnen worden vervuld om een juiste vergelijking te maken.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Tevens veroordeelde de Raad het Lisv tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het besluit van het Lisv dat appellante geen aanspraak kon maken op AAW- en WAO-uitkeringen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid vernietigd.
Uitkomst: Het besluit van het Landelijk instituut sociale verzekeringen wordt vernietigd en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.