ECLI:NL:CRVB:1997:AK6377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- Ch. de Vrey
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontslag en uitkeringsregeling bedrijfsmaatschappelijk werker bij ministerie van Defensie
Appellant, werkzaam als bedrijfsmaatschappelijk werker bij het Ministerie van Defensie, werd op 1 oktober 1993 eervol ontslagen wegens langdurige verstoorde arbeidsverhoudingen en het ontbreken van vertrouwen tussen hem en de dienstleiding en bedrijfsartsen. Pogingen tot herplaatsing waren mislukt, mede door medische bezwaren van appellant en zijn huisarts.
Appellant stelde dat het ontslag onredelijk was en ingegeven door andere motieven zoals betrokkenheid bij de zaak-Ovaa, de afluisteraffaire en ongewenste intimiteiten. De Raad oordeelde dat deze stellingen onvoldoende aannemelijk waren en dat het ontslagbesluit terecht was genomen op grond van artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).
De uitkeringsregeling die aan appellant werd toegekend, was financieel gunstiger dan de standaardregeling en werd door de Raad als redelijk beoordeeld, ondanks bezwaren van appellant over vermeende psychiatrische stigmatisering. Het beroep tegen het besluit van 25 augustus 1993, waarbij een korting op de bezoldiging werd gehandhaafd, werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang van appellant was komen te vervallen na de ongedaanmaking van die korting in 1995.
De Raad concludeerde dat het ontslag en de uitkeringsregeling juridisch standhouden en dat de door appellant aangevoerde bezwaren onvoldoende waren om het besluit te vernietigen. De uitspraak bevestigt het ontslag en wijst het beroep tegen de bezoldigingskorting af.
Uitkomst: Het eervol ontslag en de uitkeringsregeling worden bevestigd; het beroep tegen de bezoldigingskorting wordt niet-ontvankelijk verklaard.